Eten voor je kleintje

Eten voor de kleintjes, kleintjes van 0-4 jaar leren zelf eten is de titel van het boek waarop de Kleintjes methode voor het overgaan op vast voedsel is gebaseerd. Het is vergelijkbaar met Gill Rapley’s BLW (baby led weaning), maar gaat dieper in op het ‘wat’ van het eten. Beide methodes gaan ervan uit dat een kind dat met borstvoeding heel goed zelf weet wat, hoeveel en wanneer het nodig heeft, datzelfde kind dat ook weet met vast voedsel. De ouders bieden het voedsel aan, het kind weet of en zo ja hoeveel hij ervan wil eten. Beide methodes hebben ook als uitgangspunt dat voedsel in het begin niet gepureerd of anderszins in de vorm van brei of pap wordt aangeboden, maar in herkenbare stukken. Beide methodes gaan uit van de regie bij het kind zelf. Onderzoek van ruim 75 jaar geleden toonde al aan dat kinderen die vrij kunnen kiezen wat zij eten alles binnen krijgen wat zij nodig hebben, gemeten over meerdere dagen achtereen. Wanneer nu ouders zorgen voor een gezond, gevarieerd en leeftijdsadequaat aanbod, dan zorg het kind dat het zich zelf gezond voedt. Daar mag je als ouders op vertrouwen en er is geen reden om een gezond kind te overreden meer, of meer van bepaalde voedingsmiddelen, te laten eten.

Kleintjesmethode
Kleintjes kijkt toe hoe dit kleintje volgens Kleintjes methode eet

Dit is waar Kleintjes meer aandacht geeft: wat is leeftijdsadequaat voedselaanbod? Daarbij worden meerdere factoren in overweging genomen. De twee belangrijkste zijn verteerbaarheid en allergeniteit. Een kind tussen zes en twaalf maanden is aan het leren ander voedsel dan melk te verteren. Dat vraagt nogal wat van de darmen en daarom begin je met zaken die niet al te moeilijk doen. Donkergroene grove bladkoolsoorten verteren lastiger dan bloemkool en broccoli, bijvoorbeeld. Voedingsmiddelen die bekend staan als allergeen kunnen ook een grotere aanslag plegen op de verwerkingsvermogens van de darmen en worden daarom ook wat uitgesteld. In een handig overzicht zie je in één oogopslag wat vroeger kan worden gegeven en waarmee je liever even wacht.

Een belangrijk punt is het uitgaan van voedsel in een herkenbare vorm, dit loop evenwijdig aan het gebruiken van voedsel met zo min mogelijk bewerkingen. Dit is een concept waar veel mensen moeite mee lijken te hebben. Dat is niet heel verwonderlijk, want wij leven in een maatschappij waarin voedsel uit de winkel komt en is verpakt in pakken, dozen, blikken en wat niet al. Er zijn maar weinig mensen meer die voedsel bereiden vanaf de basisproducten. Wat betekent dus eigenlijk ”zwaar bewerkt voedsel”? Want vrijwel al ons voedsel bewerken we op een of andere manier, behalve de appel en zo waarin we zo happen.

Zwaar bewerkt zijn vrijwel alle producten die in een pakje of iets dergelijks zitten. Verse groenten, fruit vis en vlees zijn meestal niet bewerkt, fruit en groenten in pot en glas een beetje of erg en vleeswaren zijn meestal sterk bewerkt. Brood zou je ook een bewerkt product kunnen noemen, maar granen hebben bewerking nodig om verteerbaar te zijn. Brood bevat zo min mogelijk ingrediënten, liefst enkel meel, zout, water en eventueel gist. Pitten, noten en zaden kunnen zonder bezwaar worden toegevoegd, maar voor beginnend etertjes liever niet. Wit brood is sterker bewerkt dan volkoren brood, want om van volkorenmeel witte bloem te maken moet er worden gezeefd en meestal gebleekt. Brood uit een broodfabriek en soms ook van een echte bakker bevat meestal broodverbetermiddel. Om helemaal veilig te zitten gebruik je dus niets dat in een fabriek werd gemaakt. Gaat je dat wat te ver, gebruik dan liefst geen dingen met een lange ingrediëntenlijst (niet de voedingswaarde tabel, maar de ingrediëntenlijst moet je bekijken!) en  vermijd als het kan ook ingrediëntenlijsten met veel lange chemische namen er in.

Heel belangrijk om te onthouden is dat dingen waar op de verpakking trots staat aangegeven dat het speciaal voor kinderen is, meestal ongeschikt is voor kinderen. Nummer 1 zuigelingenvoeding voor kinderen die geen borstvoeding krijgen en ook geen menselijke donormelk, is de enige uitzondering op zwaar bewerkte kindervoedingsmiddelen, die je uit noodzaak moet gebruiken. Voor de rest blijf je daar ver van. Ook geen opvolg- en groeimelken, kant-en-klare pap, geen koekjes, geen speciale kinderrijstwafeltjes: als het geen onzinproducten zijn of producten met te veel extra ingrediënten, zijn het kleine stukjes van grote dingen met minder in een verpakking voor een hogere prijs.

Ik overweeg een kookboek te gaan schrijven voor moeders om te leren hoe je zelf al die dingen klaarmaakt. Zou je dat een goed idee vinden? Laat het me eens horen.

Frenulum variaties bij pasgeborenen

C.G.A. van Veldhuizen-Staas, IBCLC,
© 2012, 2016

Anatomie van de mond

De mond begint aan de buitenkant met de lippen (C, D), die de grens tussen binnen en buiten aangeven, en die in het midden met een klein stukje bindweefsel, een frenum of frenulum, aan de kaakranden vastzitten, dan boven (F) en onder (E) een kaakrand waarin het gebit zal groeien. Aan de bovenkant gaat de kaakrand over in het harde (H) en vervolgens het zachte (I) gehemelte, die samen het iets gewelfde plafond van de mondholte vormen. Het zachte gehemelte loopt uit in de huig (K) op de grens van de mondholte en de keelholte, net onder het punt waar de neusholte over gaat in de keelholte. De onderkaakrand gaat over in de mondbodem, waar het midden van de tong (J) aan vast is gemaakt. Verder naar achteren toe welft de tong zich omhoog en weer naar voren. De zijkanten van de mondholte worden gevormd door de binnenkant van de wangen, waarin bij baby’s in het eerste halfjaar vetkussentjes zitten. Samen met de verhoudingsgewijs grote tong vullen deze de mond in rust bijna volledig op.

Frenula en mondfunctie

Het frenulum linguae (tongriem) is een stukje bindweefsel met nauwelijks of geen doorbloeding of zenuwen. De tongriem is het anker van de tong, dat voorkomt dat de tong in de keel zakt wat tot verstikking kan leiden. De plaatsing, het formaat, de dikte en de flexibiliteit van het tongriempje luisteren nauw, want het moet net lang genoeg zijn om de tong op zijn plaats te houden, maar met behoud van de volledige flexibiliteit om de tong heen en weer, op en neer en bilateraal zijwaarts te laten bewegen. De tong zelf heeft vele functies, waaronder het masseren van de borst bij borstvoeding, bewegen van voedsel door de mond zodat het gekauwd en doorgeslikt kan worden, likken, zoenen en articuleren (het vormen van klanken bij het spreken). Om al die functies te kunnen uitoefenen moet de tong voor- en achteruit kunnen bewegen, op en neer, en heen en weer. De tong moet breed en plat gemaakt kunnen worden, zich in zijn geheel tegen het gehemelte kunnen drukken waarbij het achterste deel een golvende beweging maakt, zich tot een kommetje vormen en tot een hol rolletje worden opgekruld. De tongpunt moet tot helemaal buiten de mond kunnen komen en daar rond de lippen cirkelen, maar ook in de mondholte elk punt kunnen aanraken van de lippen, de kaken, de wangen en het gehemelte tot ongeveer halverwege de mondholte.

lipriemDe boven- en onderlip hebben elk hun eigen lipriempje of frenulum. Onder heet dat het mandibulaire labiale frenulum en boven het maxilaire labiale frenulum. De lippen moeten over de kaakranden of de tanden heen kunnen vouwen, maar ook helemaal naar buiten omkrullen, ze moeten zich breed kunnen maken tot een glimlach en tuiten tot een kusmondje. Een baby moet ze naar buiten gekruld tot een verzegeling rond de borst kunnen plooien. De lipriempjes zorgen ervoor dat de lippen al die bewegingen kunnen uitvoeren en toch op hun plaats blijven. De lippen kunnen ook zin voorzien van extra frenula, de buccale frenula, langs de gehele kaakrand.

Variaties in de frenula

Zoals in alle lichaamsdelen ontstaan er tijdens de ontwikkeling van de frenula allerlei variaties. Enige afwijking van de norm kan geen kwaad, maar er zijn ook variaties die de functie van de tong en lippen beperken. Deze variaties zijn een te strakke hechting van de tong aan de bodem, een te ver naar voren gegroeid tongriempje, een dichte slijmvliesovergroei tussen de tong en de mondbodem dat de tongriem volledig kan verbergen of een te ver naar de tandrand doorgegroeid lipriempje, een te dik of stug tong- of lipriempje. Probleem gevende variaties van de frenula noemt men ankyloglossie.

frenulaOm duidelijkheid te geven in de communicatie over tong- en lipriem problemen is classificatie goed, maar in de praktijk gaat het vooral om functionaliteit. Te grote afwijkingen van de norm geven functieverlies of functieverandering, wat op zijn beurt weer kan leiden tot het ontwikkelen van compensatietechnieken om toch de gewenste handelingen uit te voeren. Baby’s aan de borst proberen dat ook en dat kan ook min of meer lukken, maar het kost behoorlijk wat extra energie en er kunnen vervormingen aan andere onderdelen van de mond ontstaan, zoals een afwijkende vorming van het gehemelte en de kaken. Door de afwijkende vorm van het gehemelte vervormt ook de neusholte wat kan leiden tot functieverlies daar en daardoor problemen met de ademhaling bijvoorbeeld. De veranderde vorm van de kaken kan leiden tot problemen met de gebitsvorming en het verhoogt het risico van cariës. Onvoldoende beweeglijkheid van de tong en vooral de tongpunt leidt tot problemen met de vorming van bepaalde klanken, wat spraak en communicatie bemoeilijkt, wat op zijn beurt uiteindelijk ook een negatief effect op de schoolprestaties kan hebben.

Maar de eerste problemen doen zich voor bij het eten, te beginnen met het drinken aan de borst (vaak ook bij drinken uit een fles). Een kind dat zijn tong niet breed en plat kan maken en tot over de onderlip uitsteken kan de complexe bewegingen die nodig zijn om aan de borst te drinken niet goed maken. Om dat te compenseren gaat hij zijn lippen en kaken gebruiken om zich vast te klemmen en de borst te ‘’melken’’. Vaak lukt dat en krijgt het kind voldoende melk binnen. Meestal gaat dit wel ten koste van het welzijn van zijn moeder door kapotte tepels en uitermate pijnlijke voedingen. Heel vaak lukt het ook niet en krijgt het kind te weinig melk uit de borst, waardoor hij onvoldoende zal groeien en de melkproductie van zijn moeder onvoldoende stimuleert. Door het moeizame drinken kan het kind op een inefficiënte manier slikken en daardoor last van zijn maag en darmen krijgen. Deze aangepaste manier van drinken is erg vermoeiend en leidt tot minder melkinname, met vaak slechte groei tot gevolg. Dit kan ook gebeuren bij kinderen die de fles krijgen. Later kan het onvermogen om het voedsel goed door de mond te bewegen ervoor zorgen dat eten onvoldoende gekauwd in de maag komt en voor meer problemen met de spijsvertering gaat zorgen, variërend van reflux tot krampen en verstoorde stoelgang. Door de ontoereikende beweeglijkheid van de tong kan het kind de mondholte minder goed reinigen wat een verklaring kan zijn voor het vaker voorkomen van chronische spruwinfecties bij kinderen met tong- en lipriemproblemen.

De onderlip geeft vrijwel nooit problemen, maar de bovenlip kan bij een te strak, stug of dik frenulum het kind belemmeren bij het wijd openen van de mond. Hierdoor is goed aan de borst drinken moeilijk, met pijn bij de moeder en te weinig melk en/of overdreven vermoeidheid bij het kind tot gevolg. Kinderen met een te strak vastzittende bovenlip hebben, waarschijnlijk doordat zij melkresten tussen lip en tanden niet goed kunnen verwijderen, vaker cariës aan de bovenste voortanden. Deze vorm van cariës wordt dus niet, zoals vaak wordt verondersteld, veroorzaakt door nachtvoedingen of lang borstvoeding geven. Een niet behandeld te strak bovenlipriempje zorgt bij het doorkomen van het gebit voor een spleet tussen de boventanden en daardoor mogelijk te weinig overgebleven plaats voor de rest van de tanden. Deze scheefstand kan leiden tot meer cariës en tot problemen bij het vormen van bepaalde klanken. De afwijkende plaatsing van de tanden en het spleetje tussen de tanden kunnen leiden tot problemen bij het vormen van bepaalde klanken.

Behandeling

Een simpel knipje in het vrijwel niet doorbloedde en niet van zenuwen voorziene stukje weefsel van het frenulum bij een klassieke te korte tongriem is over het algemeen voldoende om de volledige functionaliteit te herstellen. Het is een zeer kleine ingreep, die makkelijk in de spreekkamer zonder verdoving kan worden uitgevoerd. Voor dikkere tongriemen en voor verborgen of achterliggende tongriemen en voor lipriemen is een uitgebreidere ingreep nodig. Hierbij kan eventueel plaatselijke verdoving met een gel of spray worden gebruikt. Knippen of snijden gaat over het algemeen wat sneller, maar gebruik van een laser zorgt voor minder bloeding en mogelijk een sneller herstel. Na de behandeling is dagelijks oefening nodig om te voorkomen dat het frenulum weer dicht groeit. Hiertoe wordt rond de wond (sommige protocollen schrijven ook op de wond voor) gemasseerd en gerekt. Direct na de behandeling de baby aan de borst nemen komt het herstel ten goede en zorgt voor troost en pijnstilling.

Omdat er heel weinig gericht onderzoek door artsen naar is verricht heeft men vaak het idee dat de indicatiestelling moeilijk is en dat het ook eigenlijk niet zo nodig is. Er heersen door onbekendheid met het onderwerp diverse opvattingen over de noodzaak van behandeling en van de manier waarop, met of zonder verdoving en of het juist wel of juist niet bij zeer jonge kinderen kan of moet worden toegepast. In de weinige literatuur is zeker niets te vinden dat enig negatief effect van het knippen van tongriempjes vermeldt. Onderzoek dat wel is verricht geeft vrijwel altijd in het overgrote deel van de gevallen een directe functie verbetering te zien. Beste indicatie voor ingrijpen is wanneer het frenulum door het formaat en/of de structuur de functionaliteit van de tong zodanig vermindert dat aan de borst drinken niet goed of helemaal niet mogelijk is, er geen of weinig melktransfer is en/of indien het drinken van de baby trauma aan de tepels van de moeder veroorzaakt.

Incidentie

Het wordt uit de literatuur niet helemaal duidelijk hoe vaak te korte tong- en lipriempjes voorkomen. Sommige deskundigen menen een tendens te zien naar een stijging van de incidentie, mogelijk als gevolg van verstoring van de embryonaal aanleg door milieuvervuiling, medicijngebruik of dergelijke factoren. Wat wel duidelijk is, is dat het in sommige families veel vaker voorkomt dan in andere families. Er lijken ook aanwijzingen te zijn dat behalve deze directe genetische achtergrond ook etnische ofdemografische factoren mee spelen, waardoor frenulum problemen in sommige bevolkingsgroepen vaker worden gezien dan in andere. Er is nog veel onderzoek te doen naar factoren die meespelen in het ontstaan van variaties in de aanleg van tong- en lipfrenula en de gevolgen ervan op korte en lange termijn. .

Geraadpleegde literatuur en verder lezen

• Coryllos E, Genna CW, et al. Congenital tongue-tie and its impact on breastfeeding. AAP Breastfeeding Section: Breastfeeding, Best for Baby and Mother. Summer, 2004.
• Coryllos E, Genna CW, Fram JL. Minimally invasive treatment for posterior tongue-tie (the hidden tongue-tie). In: Genna, CW. Supporting Sucking Skills in Breastfeeding Infants, 2nd ed. Sudbury, MA: Jones and Bartlett Publishers; 2012.
• Elad D. et al et al. “Biomechanics of milk extraction during breast-feeding.” Proc Natl Acad Sci 111.14 (2014): 5230-5235.
• Kotlow LA: The Influence of the Maxillary Frenum on the Development and Pattern of Dental Caries on Anterior Teeth in Breastfeeding Infants: Prevention, Diagnosis, and Treatment. J Hum Lact August 2010 26: 304-308
• Kotlow L. Diagnosis and treatment of ankyloglossia and tied maxillary fraenum in infants using Er:YAG and 1064 diode lasers. Eur. Arch. Paediatr. Dent. 2011; 12: 105–112.
• Elad D, Kozlovsky P, Blum O, Laine AF, Po MJ,Botzer E, Dollberg S, Zelicovich M, Ben Sira L. Biomechanics of milk extraction during breastfeeding. PNAS, 111(14): 5230-5235, 2014.
• Buryk M, Bloom D, Shope T: Efficacy of Neonatal Release of Ankyloglossia: A Randomized Trial. Pediatrics 2011; peds.2011-0077
• Cho A, Kelsberg G, Safranek S: Clinical inquiries. When should you treat tongue-tie in a newborn? J Fam Pract. 2010;59(12):712a-b.
• Edmunds J, Miles SC, Fulbrook P: Tongue-tie and breastfeeding: a review of the literature. Breastfeed Rev. 2011 Mar;19(1):19-26.
• Geddes DT, Langton DB, Gollow I, Jacobs LA, Hartmann PE, Simmer K: Frenulotomy for breastfeeding infants with ankyloglossia: effect on milk removal and sucking mechanism as imaged by ultrasound. Pediatrics. 2008;122(1):e188-94.
• Knox I: Tongue Tie and Frenotomy in the Breastfeeding Newborn. NeoReviews 2010; 11 (9) : e513-e519
• Suter VG, Bornstein MM: Ankyloglossia: facts and myths in diagnosis and treatment. J Periodontol. 2009;80(8):1204-19.

Blogs met de tag Frenulum
Facebookgroep Lipbandjes /Tongriempjes, ouders en zorgverleners.

Inbakeren – wat en hoe; waarom wel of niet

Gonneke van Veldhuizen – Staas, IBCLC 
©2001; herzien 2005, 2006; geheel herzien 2016

220px-Elizabethan_Sisters_Babies

Inleiding

Inbakeren was en is in veel tijden en culturen een veel gezien gebruik. Vaak is het opgenomen in de traditionele gebruiken, waarvan men het nut of de reden is vergeten. In andere situaties werd het gebruikt om kinderen tijdens het werk van de moeder veilig te kunnen wegleggen. In sommige culturen denkt men dat kinderen door ze strak gestrekt in te bakeren rechte ledematen zullen krijgen.
In Nederland is inbakeren in het begin van de vorige eeuw in onbruik geraakt. De vernieuwde inzichten in de gezondheidszorg leerden dat kinderen van jongs af aan, naast goede en voldoende voeding, frisse lucht en bewegingsvrijheid nodig hebben om zich goed te kunnen ontwikkelen. Sinds enkele decennia is de gewoonte van het inbakeren in Nederland begonnen aan een rentree. Met name door de publicaties van de antroposofische consultatiebureau verpleegkundige Ria Blom zijn moeders geïnteresseerd geraakt in deze methode en zijn ook reguliere consultatiebureaus het gaan aanbevelen als middel om huilbaby’s en anderszins onrustige en veeleisende baby’s te kalmeren. Inbakeren wordt in enkele medisch-verpleegkundige richtlijnen opgenomen bij interventies voor het behandelen van excessief huilen en (veronderstelde) slaapproblemen.

170px-Edward_S._Curtis_Collection_People_007

Wat is inbakeren en hoe worden kinderen ingebakerd

Inbakeren is het meer of minder volledig en meer of minder strak inwikkelen of inpakken van een kind in doeken.
Er zijn verschillende manieren.

  • De meest losse vorm is een omslagdoek die luchtig om de baby wordt geslagen of gewikkeld, waarbij de eigen houding van het kind wordt gevolgd.
  • Een andere manier is om een doek vrij strak om het bovenlijfje te wikkelen, waarbij de handjes bij het hoofdje zijn en eventueel gekruist over de borst liggen; om de beentjes is slechts losjes een doek geslagen.
  • Strakker wordt al de methode waarbij weliswaar de beentjes hun eigen gang kunnen gaan in de losse doek, maar waarbij de armpjes met gestrekte handjes langs de zijden worden gefixeerd met een stevig omgeslagen en vastgemaakte doek.
  • De meest strakke methodes zijn die waarbij zowel de armpjes als de beentjes gestrekt worden, met gestrekte handjes en voetjes en zeer stevig gewikkelde en vastgezette doeken. De bewegingsvrijheid van het kind is hierdoor volledig beperkt en tot nul gereduceerd. Deze methode doet sterk denken aan een dwangbuis voor lastige of agressieve psychiatrische patiënten.
  • Bij traditionele methoden wordt, afhankelijk van de cultuur, daarnaast gebruik gemaakt van lange linten om de baby en de doeken vast te strikken of een plankje om de ingebakerde baby op te fixeren. Bij veel traditionele inbakermethoden is de bewegingsvrijheid van het kind tot nul gereduceerd.

220px-Ambrogio_Lorenzetti_021Waarom worden hier en nu kinderen ingebakerd

In traditionele culturen bakert men in om het kind veilig te kunnen wegleggen terwijl de moeder werkt of om rechte ledematen te krijgen.

  • Veel ouders wikkelen van nature losjes een omslagdoek om hun kind als hij even wordt neergelegd. Zo blijft hij warm en voelt hij zich niet zo verloren in de grote ruimte.
  • In de zorg voor baby’ s die verslaafd ter wereld komen en bij te vroeg geboren kindjes wordt een methode gebruikt die de handjes bij het hoofdje houdt en die de beentjes speelruimte laat; het kind ligt hierin op een manier die te vergelijken is met de houding in de baarmoeder of met de houding van een kind dat in een draagdoek ligt.
  • Voor huilbaby’s, baby’s met ongewenst gedrag en baby’s die moeilijk slapen, wordt inbakeren gebruikt om prikkels te verminderen, zowel van buitenaf als die van het kind zelf, waardoor het kind rustig gedrag vertoont en langer aaneengesloten slaapt.

Deze laatste redenen om te bakeren, gaat precies in op de vragen en twijfels die veel ouders tegenwoordig hebben en lijkt op het eerste gezicht heel zinnig. Men denkt dat het kind zich niet gedraagt hoe het zich moet gedragen. Men vindt, denkt, dat een kind een bepaald aantal keren per etmaal moet/mag eten en een bepaald aantal keren een bepaalde tijd moet/mag slapen. Veel moeders werken buitenshuis en ook bij de oppas of op het kinderdagverblijf vindt men dat baby’s zich volgens een bepaald patroon horen te gedragen. Maar klopt dit beeld wel? Laten we dit eens nader bekijken:

‘’Er zijn baby’s die elke anderhalf tot twee uur aan de borst drinken en om de haverklap een dutje den in plaats van drie tot vier keer per dag twee uur achtereen te slapen.’’ Wat hier wordt gepresenteerd als normaal (om de drie-vier uur eten en enkele keren per dag een aantal uren aaneengesloten slapen) is biologisch gezien juist niet normaal. De ontwikkeling en het spijsverteringssysteem van de baby en de samenstelling van menselijke melk zijn een aanduiding voor de manier waarop een mensenkind zou moeten eten. Het spijsverteringsysteem is bij de geboorte nog niet volledig ontwikkeld, de maag is ongeveer zo groot als het gebalde vuistje van het kind zelf en moedermelk bevat naast alle belangrijke voedingstoffen en beschermende factoren veel suiker en erg veel water. De hersenen en het zenuwstelsel, die ook nog onvolledig ontwikkeld zijn bij de geboorte, hebben een constante toevoer van suikers en specifieke vetten nodig om zich goed te kunnen ontwikkelen. Uit deze feiten is af te leiden dat mensenkindjes eerder vaker dan 10 keer per etmaal moeten eten dan minder. Het moge duidelijk zijn dat lange slaapperioden dan niet mogelijk en dus ook niet gewenst zijn. De neurologische ontwikkelingsstatus bij de geboorte, de samenstelling van de melk en het daarmee samenhangende voorkeurspatroon van voeden en slapen zijn samen aanduiding voor de noodzaak voor het jonge kind om het overgrote deel van elk etmaal in de directe nabijheid van zijn moeder te zijn, frequent te eten en frequent kort te slapen.

Ontwikkelingspsychologisch onderzoek wijst uit dat intensieve moeder en kind nabijheid in de eerste levensfase een belangrijke factor is bij een stabielere psycho-emotionele ontwikkeling en een betere vaardigheid in het aangaan en onderhouden van duurzame relaties in het verdere leven en het omgaan met stress. Vanuit de wetenschap van de fysieke en psychologische ontwikkeling van het kind gezien is het dus volledig normaal dat een kind vaak aan de borst gaat en vaak een beetje slaapt. Alleen in een bedje, zonder menselijk contact, lange slaapperioden doormaken en een beperkt aantal grote maaltijden zijn vanuit datzelfde oogpunt eerder ongewoon en minder gewenst. Men verwart vaak het normale gedrag van een baby (vaak een beetje eten, vaak een beetje slapen, met de handjes spelen, met de beentjes trappelen) met ongewenst gedrag (oververmoeidheid en ‘jengelgedrag’).

Over het slaapgedrag stellen de voorstanders van met name de strakke methodes van inbakeren dat het kind zichzelf wakker houdt, doordat het wakker schrikt als het zijn armpjes en beentjes beweegt. Men lijkt hiermee te stellen dat de baby moe is en slaap nodig heeft, maar vervolgens met opzet met zijn armpjes gaat zwaaien om wakker te blijven. Het lijkt alsof men denkt: hij is wel moe en zou moeten slapen, maar hij WIL niet slapen. Kindjes die alleen in een bedje te slapen worden gelegd, op de rug, want dat moet in verband met wiegendood, gaan inderdaad op het moment van in slaap vallen vaak met de armen zwaaien. Dit zwaaien is een normale reflex en is het gevolg van een gevoel van onveiligheid. Op de rug liggend zonder steun en grens is het kind weerloos en kan het zichzelf niet afsluiten. Iedereen heeft wel eens ervaren dat op het moment van in slaap vallen er een ervaring is alsof je van een stoepje valt, je schrikt, wordt weer een beetje wakker en valt vervolgens in slaap. Een jonge baby die dit gevoel heeft, heeft hierop een sterke reflexmatige reactie, de Mororeflex, die gepaard gaat met het zwaaien met en/of spreiden van de armpjes en hij wordt hier helemaal wakker van. Een op zijn rug liggend ingebakerd kind heeft hier inderdaad geen last van, want hij kan zijn armen niet meer bewegen. Het gevoel van vallen en de reflex die erop wil volgen zijn er echter nog wel degelijk.

‘’’Kinderen krijgen een ‘vermaakprogramma’ aangeboden en worden steeds in slaap geholpen in plaats van uit zichzelf in slaap te leren vallen.’’ Een vermaakprogramma is inderdaad niet goed voor een kind. Het houdt het eerder wakker en alert dan dat het slaapverwekkend is. De nabijheid van de moeder, die bezig is met haar normale bezigheden, gecombineerd met de mogelijkheid tot frequente voedingen aan de borst, geven het kind voldoende mogelijkheden en rust om te slapen als dit nodig is. De nabijheid van de moeder, bijvoorbeeld in een draagdoek, met een naar de moeder gekeerd lijfje en gezicht), is ook een filter tegen al te veel andere indrukken van buitenaf die het kind al te wakker en alert houden.

Wat er op inbakeren tegen is

De methodes van inbakeren waarbij het kind strak en volledig gestrekt wordt ingebakerd hebben een negatieve invloed op het beginnen met en in stand houden van de borstvoeding, strekken het lichaam van het kind in een onnatuurlijke en potentieel gevaarlijke houding, leiden de aandacht af van potentieel gevaarlijke situaties en lichamelijke gebreken die behandeld zouden moeten worden, zijn een mogelijke een factor bij wiegendood, veroorzaken fysieke verwijdering tussen moeder en kind en vergroten mede daardoor het risico van een verstoorde hechting.

Borstvoeding

Zeker in de eerste weken, als het kind het drinken aan de borst nog moet leren, spelen de handjes een grote rol. De baby heeft de handjes nodig om de borst te vinden en om aan te happen. Ze helpen hem met de oriëntatie in de ruimte. Vlak na de geboorte ruiken zijn handjes naar vruchtwater en die geur ligt dicht bij de geur van tepel en tepelhof, waardoor het vinden van de borst mogelijk wordt. De fysieke scheiding van moeder en kind die inherent is aan bakeren (het idee van inbakeren is immers dat het kind dan stil en alleen lang zal slapen) is een grote inbreuk op het systeem van vraag en aanbod en dus op de melkproductie en de melkinname. De strak ingebakerde baby kan ook nauwelijks nog signalen geven dat hij een voeding nodig heeft (ofwel omdat hij diep en lang slaapt en het zelf niet eens merkt, ofwel omdat er niets te bewegen valt om signalen mee te geven) en de moeder is minder geneigd om op haar baby te letten of hij eventueel signalen geeft, omdat zij haar kind niet direct bij zich in de buurt heeft.

Fysieke ontwikkeling

Een pasgeboren kind heeft een nog zeer onvolledig ontwikkeld lijfje, het skelet is haast nog zacht als boter en de gewrichten zitten nog maar losjes in elkaar. Het is nog heel gevoelig voor (letterlijke) indrukken van buitenaf. De Chinezen gebruikten dit gegeven voor het inbinden van de voetjes van de meisjes, zodat deze hun leven lang klein en verfijnd zouden blijven. We zien het ook bij kindjes die een voorkeurshouding hebben: zij ontwikkelen een afplatting op het hoofdje op de plaats waar zij steeds het matrasje raken. Kinderen die flesvoeding krijgen of veel op een fopspeen zuigen, krijgen een vervorming van het gehemelte, waardoor dit spitser en smaller wordt en er een grote kans is dat de tanden later onvoldoende plaats hebben om een recht gebit te vormen. Bij strakke en volledig gestrekte methoden van inbakeren worden alle gewrichten van de baby gefixeerd in de fysiologisch minst gewenste houding. Met name de heupjes kunnen hier niet tegen en er is dus een zeer sterk verhoogd risico van heupdislocatie, waardoor een spreidbroek nodig is. Men ziet bij kinderen die relatief veel tijd ingebakerd doorbrengen (alle slaaptijden samen zijn 12 tot 18 uur per etmaal voor een jonge baby, dus 50 tot 75% van elk etmaal) mogelijk dat zij ook in niet-gebakerde toestand hun ledematen gestrekt houden, waarbij de armpjes slap langs het lijf gestrekt liggen en de beentjes eindigen in gespitste voetjes. De normale, fysiologische houding voor een baby in rust is met gebogen gewrichten en met bewegende ledematen tijdens spel en actieve bezigheden.

Ziekte en verwondingen

Een kind dat strak is ingebakerd kan minder goed voelen en laten merken als er iets niet goed is. Zo kunnen eventuele ziekten of verwondingen over het hoofd worden gezien. Dit is over het algemeen een gevaar van het interpreteren van huilen als ongewenst gedrag dat moet worden bestreden. Kinderen die onrustig zijn en huilen, omdat ze een spijsverteringsprobleem hebben of allergisch zijn, raken dit probleem niet kwijt door het te ontkennen. Ook als de baby niet meer huilt of onrustig is, blijft het probleem bestaan en kan ongemerkt verergeren Een stijgend aantal kinderen loopt tijdens de geboorte een verwonding of vervorming aan het hoofd, de wervelkolom of de skeletuur van de schoudergordel op. Zij kunnen daardoor allerlei problemen hebben zoals pijn, moeilijk drinken, slikken en verteren, mogelijk een reflux en asymmetrische ontwikkeling. Zij zijn vaak onrustig en huilen veel. Kinderen met dergelijke verwondingen onbeweeglijk vastbinden in een onnatuurlijke houding zal de verwondingen eerder verergeren en eventueel laten vastgroeien, dan dat ze erdoor worden genezen. Dit kan op korte en lange termijn ernstige gevolgen hebben voor de gezondheid, de ontwikkeling en de schoolresultaten.

Wiegendood

Het risico van oververhitting – een belangrijke factor bij wiegendood – is vooral bij strak inbakeren groot, ook als het kind geen koorts heeft. Daarnaast heeft een baby die kunstmatig lang en diep in slaap gehouden wordt een veel groter risico om te stoppen met ademhalen en dus dood te gaan. Juist omdat hij zich niet kan bewegen en zichzelf wakker maken. Dit risico wordt sterker wanneer het kind ingebakerd in een eigen kamertje verblijft en daardoor zich niet kan richten op de ademhaling en verdere geluiden van de ouders. Kinderen die worden ingebakerd lopen in alle slaaphouding een iets groter wiegendood risico dan niet ingebakerde kinderen. Het overlijdensrisico stijgt bij het toenemen van de leeftijd, vanaf ongeveer vier maanden, vooral wanneer het kind al pogingen gaat doen zelf om te rollen van rug naar buik, want een ingebakerd kind kan dan zelf nog niet terugrollen. Ingebakerd op de buik slapen is de grootste risicofactor in dit verband.

Verwijdering

Door een kind in te bakeren is de noodzaak om het kind in armen te houden verdwenen en kan het kind om het even waar veilig worden weggelegd. Dit kan een negatief effect op de hechting tussen moeder en kind hebben, omdat het de moeder meer afstandelijk maakt en minder gevoelig voor de signalen en behoeften van haar kind (voor zover het in strak ingebakerde toestand nog signalen geeft). Dichte fysieke nabijheid zorgt bij moeder en kind voor de afgifte van hormonen die helpen bij het ontwikkelen van veilige hechting van het kind.

Ontkenning

Een ander groot bezwaar tegen het routinematig gebruiken van het inbakeren bij alle kinderen die niet passen in het beeld dat men heeft over het gedrag van baby’ s is wel dat het een ontkenning is van de baby als mens en individu en dus van de biologische, emotionele en psychologische behoeften die hij heeft. Dit geldt voor het routinematig inbakeren volgens alle methoden, maar sterker voor de strak gestrekte methodes. Daarnaast leert het kind dat het de signalen van zijn eigen lichaam niet kan vertrouwen.

Is inbakeren dan nooit goed?

Er zijn situaties waarin inbakeren therapeutisch kan worden toegepast onder gecontroleerde omstandigheden.
Te vroeg geboren baby’s, die niet geen Kangoeroe Moeder Zorg krijgen en kinderen die verslaafd geboren worden en niet voldoende reageren op het dragen in een doek en veel lichamelijke aandacht kunnen, mits op de goede manier gebakerd, daar zeker baat bij hebben. Ook baby’s die ondanks veel dragen en een goede manier van borstvoeding geven toch ontroostbaar blijven huilen, kunnen behoefte hebben aan de afgezonderde rust van het ingebakerd zijn. Een goede manier van bakeren houdt de baby in een niet-gestrekte houding en houdt de handjes bij het lichaam, bij elkaar of elkaar kruisend over de middenlijn, bij het hoofdje. Hierbij moet worden aangetekend dat een (ogenschijnlijk) gezond kind dat niet reageert op lichamelijke nabijheid, koestering en frequente borstvoeding moet worden onderzocht op mogelijke ziekten of aandoeningen. Ernstig allergische kinderen zullen meer baat hebben bij koestering en borstvoeding door een moeder die op dieet is, dan van inbakeren.
Ook bij onvermijdelijke scheiding van moeder en kind waar het niet mogelijk is dat het kind in de directe nabijheid van een ander mens is, is niet-strak inbakeren volgens een handjes bij het hoofdje methode een goed alternatief.

Maar wat moet je dan?

Meer en meer moeders gaan hun baby inbakeren. Hierin worden ze vaak gesteund door het consultatiebureau of ze worden zelfs door het consultatiebureau op deze mogelijkheid gewezen. De aanbevelingen van het consultatiebureau en de boekjes die er over geschreven zijn, berusten geenszins op wetenschappelijk onderzoek. Het is een herontdekte gewoonte die goed aansluit bij het kindbeeld dat past in onze huidige westerse maatschappij.

Huilen bij alleen zijn, vaak een beetje willen drinken en bij mama willen zijn, zijn allemaal volslagen normale gedragingen voor een mensenbaby. De meest natuurlijke manier om op deze basisbehoeften van een baby in te gaan, is door hem bij je te dragen, bij voorkeur in een draagdoek of ergonomische drager (in een niet ergonomische draagzak hangt het kind in een gestrekte houding met afhangende armpjes en onevenredig veel druk op het kruis). In een draagdoek is het kind stevig begrensd en voelt het zich beschut in de nabijheid van zijn moeder. De borst is dichtbij voor de frequente kleine slokjes en de moeder kan na enige oefening voeden terwijl de baby in de doek zit en terwijl zij verder gaat met haar bezigheden. De rust van de veiligheid en het ritme van het moederlichaam geven het kind de rust en ritme die hij nodig heeft.

Onderzoek

In het Wilhelmina Kinderziekenhuis is een onderzoek gedaan naar inbakeren. De vraagstelling van het onderzoek was: helpt inbakeren bij huilbaby’ s? Het antwoord was natuurlijk op voorhand al duidelijk: ja, het helpt bij huilbaby’s, want dat is de ervaring van moeders die inbakeren: Ingebakerde baby’s huilen minder. Maar daar schiet je niets mee op, met dat weten. De vraag moet om te beginnen zijn:

Waarom huilen baby’ s zoveel?

Urenlang huilen (in de zorg geldt als regel dat tot 3 uur per dag huilen normaal is, excessief huilen wordt gedefinieerd als [3×3] minimaal drie uren per dag, minimaal drie dagen per week gedurende minimaal drie weken) is een heel a-typisch gedrag voor een gezonde zuigeling. Huilen is een schreeuw (letterlijk) om hulp. Een zuigeling heeft een heel arsenaal van communicatiemogelijkheden: lichaamstaal en bewegingen, geluidjes en mimiek. Als hierop niet wordt gereageerd, worden deze pogingen tot communicatie versterkt: heftiger bewegen, luidere geluidjes. Als hierop nog steeds niet wordt gereageerd gaat het kind over naar de alarmtoestand: hij heeft iemand nodig en er is kennelijk niemand in de buurt. Dat is een potentieel gevaarlijke situatie die onmiddellijk moet worden opgelost en dus zet het kind zijn laatste communicatiemiddel in: hij zet een keel op. Of, in geval van blijvend huilen ook wanneer het kind wordt opgenomen en gekoesterd of gevoed, is huilen een uiting van gevaar of pijn.

Andere vragen kunnen zijn:
Waarom willen baby’ s zo vaak aan de borst?
Of:
Waarom worden baby’ s zo vaak wakker ‘s nachts?

Het antwoord daarop is heel simpel: omdat ze zo gemaakt zijn. Mensen zijn, biologisch gezien, zoogdieren die hun jong bij zich dragen. Diersoorten die dat doen, voeden hun jong zeer frequent of voortdurend, bijvoorbeeld mensapen of kangoeroes.

Blauwdruk

In de menselijke blauwdruk leven wij niet in een veilig huis in een omgeving zonder roofdieren, maar in een natuurlijke omgeving met meer of minder dichtbij meer of minder gevaarlijke dieren. Mensen zijn van oorsprong diersoorten die hun kind bij zich houden of in een nest laten bij anderen. Er is geen reden (in deze blauwdruk) om veel herrie te maken om aandacht te krijgen, want er is altijd iemand dichtbij. Daarbij is het huilen van een kind of een jong dier gevaarlijk, omdat roofdieren dit geluid herkennen als komend van een jong en dus weerloos prooidier. Deze wetenschap ligt diep verankerd in onze instincten en dus zal een baby niet zomaar gaan huilen en daarom voelen veel mensen zich zo naar als ze een baby horen huilen. Huilen is dus een uiterste middel ofwel een uiting van opperste frustratie, angst of pijn. Veel, vaak en ontroostbaar huilen is altijd een reden om het kind heel goed te bekijken en te onderzoeken wat er mis is. Baby’s huilen nooit om hun zin te krijgen of om hun ouders naar hun hand te zetten, maar altijd omdat er iets aan de hand is – ook als wij niet weten wat dat kan zijn.

Nabijheid

Tegemoet komen aan die basisbehoefte van het kind aan menselijke nabijheid is voor de meeste kinderen voldoende om het huilen te reduceren tot nagenoeg niets. Toch lijken er meer en meer kinderen te zijn die ondanks dat ze veel worden gedragen en nooit alleen zijn toch veel huilen. Wellicht speelt hier onze cultuur met zijn overdaad aan impulsen een rol. Het is heel moeilijk om je volledig af te sluiten van alle storende invloeden van geluids-, licht- en andere golven. Je kunt dit vergelijken met een voedselallergie of overgevoeligheid. Dingen die door de een moeiteloos worden verwerkt, zijn voor het systeem van de ander een te grote belasting. Voor deze kinderen is dragen in een draagdoek, dicht tegen hun moeder en zoveel mogelijk afgesloten van de buitenwereld een optie. De impulsen van de buitenwereld worden dan als het ware eerst door de moeder opgevangen en gedoseerd aan het kind doorgegeven. Maar voor sommige kinderen is ook dit niet genoeg. Het is goed dan eerst te kijken of er een ziekte of allergie in het spel is. Een kind dat voortdurend pijn heeft, voelt zich uiteraard ook dicht bij zijn moeder nog ziek. Het is beslist niet denkbeeldig dat een ontroostbaar huilende baby een ziekte, verwonding of afwijking heeft. Wordt nu zo’ n baby ingebakerd, dan zal het huilen verminderen, maar de afwijking wordt niet behandeld en kan voor grotere en wellicht minder goed te behandelen problemen zorgen. Met het voortschrijden van de medicalisering van de baring groeit het aantal kinderen met een lichamelijk geboortetrauma in het hoofd-halsgebied. Dit trauma kenmerkt zich door bijvoorbeeld een onrustige baby, baby die veel huilt, drinkprobroblemen, overstrekte houding, voorkeurshouding van het hoofd met afplatting. Na diagnose en behandeling door een daarin gespecialiseerde zorgverlener, verandert het kind vaak opmerkelijk van het ene moment op het andere.

Veilig inbakeren

Ouders die na het overwegen van de mogelijke risico’s toch willen inbakeren, bijvoorbeeld omdat andere opties onvoldoende resultaat geven, of omdat de ouders even adempauze nodig hebben bij een excessief huilende baby, kunnen ervoor kiezen dit op een zo veilig mogelijke manier te doen.

  • Baker nooit een kind in dat koorts heeft of pas is ingeënt.
  • Baker niet in in de kraamweek
  • Baker geen kinderen in die ouder dan vier maanden zijn.
  • Leg een ingebakerd kind enkel op de rug.
  • Zorg voor een veilige ligplaats, die voldoet aan de richtlijnen voor veilige bedjes.
  • Zorg voor voortdurend visueel contact
  • Zorg dat de beentjes vanaf de heupen volledige bewegingsvrijheid hebben, bijvoorbeeld door een ruime trappelzak te gebruiken.
  • Leg de armpjes op de borst, eventueel gekruist over de middenlijn en/of net onder de kin.
  • Zorg voor voldoende ruimte voor de longen om uit te zetten bij de ademhaling.

Literatuur

  1. Anna S. Pease, Peter J. Fleming, Fern R. Hauck, Rachel Y. Moon, Rosemary S.C. Horne, Monique P. L’Hoir, Anne-Louise Ponsonby, Peter S. Blair: Swaddling and the Risk of Sudden Infant Death Syndrome: A Meta-analysis. Pediatrics May 2016, DOI: 10.1542/peds.2015-3275
  2. Clarke, N. M. “Swaddling and hip dysplasia: an orthopaedic perspective.”Archives of disease in childhood1 (2014): 5.
  3. Day LR: The history, benefits and risks of swaddling babies. Journal of Health Visiting 2015 3:4, 202-208
  4. Russell, CK., Volpe, LE, Ball, HL.: Sudden Infant Death Syndrome. In: Alvergne, A, Jenkinson, C,  Faurie, C (2016): Evolutionary Thinking in Medicine: From Research to Policy and Practice. Springer International Publishing.
  5. Harutyunyan S: Pediatrics and Infant Nutrition in Armenia. The Armenian Daily Online, 2002
  6. Widstrom A: Lessons from Sweden: aren’t babies clever? http://www.acegraphics.com.au/articles/widstrom01.html
  7. Chaarani MW, Al Mahmeid MS, Salman AM: Developmental dysplasia of the hip before and after increasing community awareness of the harmful effects of swaddling. Orthopedics Section, Department of Surgery, Hamad Medical Corporation, Doha, Qatar
  8. WHO over negatieve invloed inbakeren op borstvoeding en daarmee op de gezondheid van het kind: http://www.euro.who.int/nutrition/Infant/20020730_1?language=English
  9. McKenna JJ: Rethinking Normal Infant Sleep. http://www.labouroflove.org/babies/sleeping/rethinking-normal-infant-sleep/
  10. McKenna, Thoman E, Sadeh A, Anders T et al: Infant-parent co-sleeping in evolutionary perspective: Implications for infant development and the sudden infant death syndrome. In press.
  11. McKenna J: An anthropological perspective on the sudden infant death syndrome (SIDS): The role of parental breathing cues and speech breathing adaptations. Med Anthropol 1986; 10(1) Special Issue.
  12. McKenna J, Mosko S, Dungy C, McAnninch J: Sleep and arousal patterns among co-sleeping mother-infant pairs: Implications for SIDS. Am J Physical Anthropol 1991; 83:331-47.
  13. Dettweyler K: Breastfeeding: Biocultural Perspectives. : Aldine de Gruyter
  14. Dettweyler K: verzamelde artikelen. http://www.borstvoeding.com/dettwyler/index.html (Nederlandse vertaling) of http://www.dettweyler.org/dettwyler.html(originele teksten)
  15. Hunt J: The Dangers of Holding Therapy. http://www.naturalchild.com/jan_hunt/holding_therapy.html

Medicijnen en borstvoeding

Een moeder die borstvoeding geeft kan veel vaker dan voor mogelijk wordt gehouden bepaalde medicijnen gebruiken. Kinderdiëtist Stefan Kleintjes en lactatiekundige-IBCLC Gonneke van Veldhuizen-Staas lichten de processen en overwegingen toe die van belang zijn wanneer een vrouw die borstvoeding geeft een bepaald medicijn zou moeten gebruiken.

Niet alleen het aantal vrouwen dat borstvoeding geeft neemt toe, ook het medicijngebruik neemt toe. Uit de vragen die wij bij het Kenniscentrum Borstvoeding krijgen, blijkt dat vrouwen steeds vaker allerlei medicatie zoals pijnstillers (bijvoorbeeld paracetamol, ibuprofen) en antidepressiva gebruiken. Ook het gebruik van bloeddrukverlagende medicijnen en medicatie tegen allergie sterk toe. Daarnaast zijn vrouwen mondiger dan vroeger en zijn ze het niet altijd meer zomaar eens met het advies van een arts om beter niet aan de borstvoeding te beginnen bij het gebruik van bepaalde medicatie, dan wel om snel te stoppen. Een en ander betekent dat ook een verloskundige steeds vaker vragen zal krijgen van cliënten over het gebruik van medicatie bij borstvoeding. Dit artikel biedt inzicht in de processen en wijst de weg naar de informatie die gebruikt kan worden om de moeder verantwoord voor te lichten; waarbij het belang van borstvoeding en de gezondheid van kind en moeder voorop staat.

Onvoldoende geïnformeerd

Niet alleen in het verleden, ook heden ten dage wordt beweerd dat een bepaald medicijn niet gebruikt zou mogen worden bij de borstvoeding. Vaker nog wordt gezegd dat de moeder de borstvoeding moet stoppen wanneer zij een bepaald medicijn zou willen of moeten gebruiken. Helaas zijn nog te veel artsen onvoldoende geïnformeerd en neemt men liever het zekere voor het onzekere en gaan deze artsen enkel en alleen af op de informatie die de fabrikant verstrekt.
Gebrek aan kennis over de waarde van borstvoeding, maar ook aan de lichamelijke processen die spelen bij de productie van moedermelk spelen daarbij een rol. Gelukkig weten we tegenwoordig veel beter de waarde van borstvoeding voor de moeder en het kind in te schatten. Daarom is het verstandig om de moeder die borstvoeding geeft, of wil gaan geven, te adviseren op basis van de laatste wetenschappelijke inzichten. Opdat zij borstvoeding kan gaan geven, of blijven geven.

Bijsluiter en repertorium

Net zoals tijdens de zwangerschap zou de moeder ook tijdens de borstvoedingperiode voorzichtig moeten zijn met het gebruik van medicijnen. Bij zelfmedicatie zal de moeder de bijsluiter lezen en beoordelen wat mogelijk is. Heel vaak staat in de bijsluiter vermeld, dat een bepaald medicijn niet tijdens de zwangerschap en borstvoedingperiode gebruikt mag worden. Dit heeft echter vaak niets met de veiligheid van de baby te maken. Maar wel met de juridische veiligheid van de producent van het geneesmiddel. Onderzoek en grootschalige testen van medicatie zijn duur en tijdrovend. Voedende moeders zijn maar een kleine groep en onderzoek bij deze groep ligt ethisch bijzonder moeilijk. Veel producenten van geneesmiddelen doen liever geen onderzoek in deze richting en schrijven dus op de bijsluiter dat het medicament niet bij borstvoeding genomen mag worden. Vaak wordt de borstvoeding in één zin met zwangerschap genoemd hoewel dit twee heel verschillende situaties zijn. Soms valt zelfs te lezen dat de borstvoeding gestopt zou moeten worden om dit medicament te kunnen gebruiken.
Betreft het een medicijn dat de arts voorschrijft, dan zal deze het repertorium raadplegen. Het repertorium is feitelijk een verzameling van bijsluiters. Zowel arts als moeder beschikken dus veelal over dezelfde, gebrekkige informatie.

Fabrikanten zijn voorzichtig

Het is ook mogelijk dat de producent zonder langdurige testen weet dat het medicijn veilig is, maar toch in de bijsluiter, wederom voor de juridische veiligheid, het tegendeel beweert. Ook kan het zo gesteld zijn in de bijsluiter dat het medicament alleen na overleg met de arts gebruikt kan worden. In dat geval is het verstandig met een arts te overleggen die begrip en kennis van borstvoeding heeft, om zo tot een goede afweging te kunnen komen en te kunnen bekijken wat de risico’s zijn voor de melkproductie of voor de veiligheid van de baby, bij het gebruik van bepaalde medicatie.

Veiligheid

Fabrikanten van medicijnen zullen er dus snel voor kiezen om veilige medicijnen het stempel onveilig te geven om juridisch goed ingedekt te zijn. De vraag rijst nu hoe we kunnen weten of een bepaald medicament echt onveilig is? De eerste vraag om te stellen is: komt dit medicament in het bloed van de moeder?. Een chemische stof die niet in het bloed komt, kan ook niet in de melk raken, en is dus veilig voor het kind.
Er zijn nog meer middelen die zeer plaatselijk werken, deels omdat ze heel laag gedoseerd zijn, deels omdat ze lokaal gebruikt toegepast worden. Te denken valt aan een zalfje, oogdruppels, een neusspray en zelfs een puffer tegen astmatische aandoeningen. Ook al bevatten deze middelen misschien een werkzame stof die bedenkelijk is, ze zijn normaal erg laag gedoseerd én lokaal actief, dus zal er praktisch niets in de bloedbaan van de moeder terechtkomen. Een werkzame stof die niet of amper in de bloedbaan komt, komt ook niet bij de melkproducerende cellen in de borst, komt dus niet in de melk, en betekent dus geen gevaar voor het kind dat de melk drinkt.

Er zijn natuurlijk uitzonderingen waarbij door het gebruik van een lokaal middel, de werkzame stof uit het medicijn, toch in de bloedbaan komt. Van een neusspray met een hormoon is het juist de bedoeling dat dit hormoon via het neusslijmvlies in het lichaam komt, zoals bijvoorbeeld bij Syntocinon. Ook oogdruppels bijvoorbeeld kunnen medicatie bevatten waarvan de werkzame stoffen wel in de bloedbaan kunnen komen. Bijvoorbeeld een traanvochtvervanger als Oculotect of een antibioticum. Meer duidelijkheid over deze werkzame stoffen wordt verschaft in de lijsten die gepubliceerd zijn op de website van het Kenniscentrum Borstvoeding, www. borstvoeding.com.

Het medicijn dat wél in de bloedbaan komt

Komt het medicijn wel in de bloedbaan, dan is de vraag wat het middel daar doet. Hoe lang blijft deze stof in het bloed aanwezig en is dit middel in staat zich te verplaatsen van de bloedbaan via de membranen van de melkproducerende cellen naar de moedermelk? Sommige stoffen worden erg snel afgebroken en maken niet veel kans om samen met voedingsstoffen door de celmembranen van de melkvormende cellen in de melkkliertjes over te stappen. Het hangt van verschillende factoren af of een stof uit het bloed in de melk gaat. Soms is er onderzoek bij voedende moeders voor nodig, soms weet men, zonder te testen, dat het onmogelijk is. Er zijn namelijk medicamenten die de stap van bloed naar melk gewoonweg niet of nauwelijks kunnen maken omdat zij een bepaalde chemische structuur hebben die deze overstap onmogelijk maken. Dit zijn bijvoorbeeld middelen die zich zeer sterk aan eiwitten binden zoals floxaciline, of het betreft moleculen te groot zijn zoals insuline.
Overigens is de doorlaatbaarheid van deze celmembranen in de eerste twee weken na de geboorte iets hoger, en kunnen dus meer stoffen de bloed-melk-barrière passeren dan na die twee weken. Daarom is ook de leeftijd van de baby van belang wanneer de veiligheid van een medicijn voor het kind moet worden beoordeeld.

Halfwaardetijd van de werkzame stof

Van de werkzame stof die wel in de melk kan komen moeten we weten hoeveel hiervan in de melk terechtkomt en vervolgens ook hoeveel tijd na de inname van de medicatie, en dus van de werkzame stof, in de melk aanwezig zal kunnen zijn. De halfwaardetijd van deze stoffen is een bekend gegeven. De halfwaardetijd is de tijd waarin een chemisch element de helft van zijn aanwezigheid verliest, en dus kan gemakkelijk uitgerekend worden in welke concentratie de stof in de bloedbaan is, en als deze de celmembraan kan passeren, hoeveel er dan in de melk zou kunnen zitten.
Is de halfwaardetijd bijvoorbeeld twee uur, dan is twee uur na inname, nog maar de helft van de stof aanwezig in het bloed van de gebruiker, vier uur later zal er nog maar een kwart van de oorspronkelijke hoeveelheid in het bloed zitten en zes uur later gaat het nog maar om een achtste daarvan. Ook de piektijd is een belangrijk gegeven, dit is het tijdstip waarop de hoogste concentratie van de stof in het bloed aanwezig zal zijn.

De werkzame stof die in de melk over kan gaan

De werkzame stof die uiteindelijk de membranen van de melkproducerende cellen gepasseerd heeft, komt in de moedermelk. Neemt in de tijd dat deze stof zich in de melk bevindt, de concentratie ervan in het bloed af, dan zal de stof ook weer van de melk naar het bloed terug bewegen waardoor de concentratie ervan in de melk in de borst weer afneemt. Voor de meeste werkzame stoffen geldt deze wet van communicerende vaten. De werkzame stof die in de moedermelk zit en daar ook lang genoeg aanwezig is, kan door de baby opgedronken worden met de moedermelk.
Vervolgens is het interessant om te weten of de baby deze stof kan opnemen vanuit zijn maag- en darmstelsel in zijn eigen bloedbaan. In sommige gevallen kan de baby namelijk de stof niet opnemen en wordt de stof onmiddellijk weer met de ontlasting uitgescheiden zonder dat er iets in de bloedbaan van de baby is gekomen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij allerlei medicijnen die via injectie worden toegediend omdat zij in het gastro-intestinale traject worden afgebroken of onverwerkt worden afgevoerd. Denk hierbij aan insuline of mechanische laxantia.

Medicatie die direct in de bloedbaan komt

Medicijnen die direct in het bloed of de spieren van de borstvoedende moeder ingebracht worden bevatten doorgaans werkzame stoffen die niet vanuit het maag-darmkanaal in het bloed kunnen worden opgenomen. Deze werkzame stoffen zullen dus in grotere hoeveelheden in de bloedbaan van de moeder circuleren en waarschijnlijk ook in de moedermelk worden opgenomen. Voor de zuigeling aan de borst zullen deze werkzame stoffen echter meestal geen probleem zijn, omdat ze niet oraal opneembaar zijn en dus ongebruikt het gastro-intestinale traject van het kind passeren.

Uiteindelijk…

Stel nu dat de baby een bepaalde werkzame stof uit het medicijn dat zijn moeder slikt, wel degelijk kan opnemen. Dan rijzen de volgende vragen: hoeveel zal de baby kunnen opnemen en wat is het mogelijke effect van die stof op de baby? Voor het overgrote deel van alle maternaal gebruikte medicatie zal gelden dat de relatieve kinderlijke dosis via moedermelk onder de 1% ligt en dus naar alle waarschijnlijkheid geen kwaad kan.
En tot slot is er nog een vraag van een heel andere orde, wanneer beoordeeld moet worden of een bepaald medicijn samen kan gaan bij borstvoeding: is deze medicatie van invloed op de melkproductie van de moeder? Een stof is dan misschien onschadelijk voor de baby, maar als de melkproductie hierdoor keldert, dan is het om deze reden dus niet verstandig dat de moeder die graag borstvoeding geeft, dit medicijn gebruikt.

Medicijnlijsten

Om uit te kunnen zoeken of een bepaald medicijn verantwoord is om te gebruiken voor een moeder die borstvoeding wil gaan geven of al geeft, heb je een aantal gegevens nodig. Ten eerste is dat de naam van de werkzame stof, deze is altijd te vinden op de bijsluiter van het medicament. Verder moet je weten wat de dagelijkse dosis en de toedieningsvorm is. Ook de duur van de behandeling, de leeftijd van de baby en het gewicht zijn belangrijk. Daarnaast is het van belang of de baby voldragen is, of juist te vroeg is geboren.

Vervolgens pak je de medicatielijst. Sommige middelen worden als ‘bijzonder veilig’ beschouwd, sommige als ‘veilig’, andere als ‘matig veilig’. Ook bestaan de indicaties ‘eerder onveilig’ en ‘niet verenigbaar met borstvoeding’. Er kunnen dan alternatieven voorgesteld worden. Als er echt geen alternatieve middelen bestaan, dan kan altijd overwogen worden de behandeling uit te stellen. Ook kan de borstvoeding voor een bepaalde duur onderbroken worden; de moeder kan dan kolven en na het gebruik de borstvoeding met het kind weer oppakken.

De lijsten zijn samengesteld door kinderarts Erica Post en kinderdiëtist Stefan Kleintjes, op basis van de adviezen van farmacoloog Thomas Hale. Zij worden tweejaarlijks herzien.

Heel vaak, veel vaker dan je voor mogelijk hield, is er geen reden is om de borstvoeding te stoppen wanneer de moeder borstvoeding wil geven of geeft en een bepaald medicijn gebruikt.

  • Bespreek met de moeder:
    • de noodzaak tot het gebruik ervan,
    • de aard van het medicijn,
    • de hoeveelheid die zij gebruikt,
    • de manier waarop zij dit tot zich neemt,
    • en de generieke naam.
  • Maak gebruik van de medicijnlijsten op http://www.borstvoeding.com: zoek het medicijn op en neem, eventueel en afhankelijk van de vermelding op de lijst, contact op met de behandelend arts.
  • Wijs de behandelend arts op deze lijsten en de bron van de gegevens.
  • Kijk zo nodig of de behandeling of het onderzoek een tijdje uitgesteld kan worden. Bijvoorbeeld tot de baby minder afhankelijk is van de borstvoeding.
  • Stel de moeder voor een voorraadje aan te leggen zodat er moedermelk is ingeval zij een periode een onveilig medicijn moet gebruiken.

Lees ook

Meer weten over dit onderwerp? Lees alle artikelen op de site van het Kenniscentrum Borstvoeding.

Themapagina Medicijnen
Stel hier je vraag over borstvoeding en medicijnen aan de lactatiekundige.

Auteurs

Kinderdiëtist, Stefan Kleintjes, Kenniscentrum Borstvoeding
Lactatiekundige-IBCLC, Gonneke van Veldhuizen-Staas, Kenniscentrum Lactatiekunde

Copyright

© Kenniscentrum Borstvoeding | Borstvoeding.com | Op dit artikel rust copyright

Dit artikel is ook geplaatst op de website van Kenniscentrum Borstvoeding en in het tijdschrift van de KNOV TvV juli/augustus 2008.

Voor- en nadelen ongepureerd voedsel bij eerste hapjes

Bron: Voor- en nadelen ongepureerd voedsel bij eerste hapjes – Foodlog

Eerste commentaar: Op Facebook linkt Ingrid Nijwening-Bos naar de Kleintjesmethode, de vergrotende trap van Baby-led weaning.

Mijn commentaar: Kleintjes is geen overtreffende trap van Rapley, maar een net even andere insteek, waarbij ook aandacht is voor gezinnen met een allergie historie; Gill Rapley gaat vooral in op het hoe, Stefan Kleintjes ook op het wat.

Ik wil opmerken dat waarschijnlijk niet is gekeken naar de hoeveelheid vitamines en mineralen die het kind daadwerkelijk opneemt in zijn systeem, alleen wat er in zijn maag terecht komt. Van gepureerd voedsel kan het lijken dat er meer wordt opgenomen, maar pureren is nog geen verteren. Verteren is het afbreken van voedsel tot zijn samenstellende delen. De darm van een kind van 6 maanden begint aan de overgang van het verteren van (moeder)melk naar ander voedsel. Daarbij maakt het niet uit of het gepureerd in de maag terecht komt of niet, maar of de darmen al in staat zijn de nutriënten ”op te lossen” tot opneembare delen.

Het is echt een probleem van de huidige manier van wetenschap bedrijven, dat alles in onderzoeken moet zijn vastgesteld en dat men makkelijk voorbij gaat aan wat al bekend is over de normale fysiologie. Het is hokjeskijken.

Dan over dat vet. Ik dacht dat we daar inmiddels wel overheen waren, dat idee dat vet, en in het bijzonder verzadigd vet, slecht is. Jonge kinderen hebben vet heel erg hard nodig voor energie, darmfunctie en voor de groei en ontwikkeling van hersenen en zenuwstelsel. Moedermelk, het model voor voeding van het mensenkind zou ik denken, bevat allerlei soorten vetten, ook verzadigde, en cholesterol. Moedermelk bevat, een beetje afhankelijk van de testmethode (de 4% uit de gangbare tabellen is eerder een minimum dan een gemiddelde en gaat vooral over melk uit de volle borst, die relatief vetarm is, in tegenstelling tot melk uit de legere bost, die relatief vet is), tussen 4 en 10% of meer vet en iets van 7-9% lactose. Ook de anderhalf procent eiwit levert wat energie. Het percentage vet en suiker in moedermelk is dus vaak ongeveer gelijk, wat betekent dat het vetaandeel in de energie voorziening dubbel zo groot is. Je mag ervan uitgaan dat in de overgangsfase van vloeibaar naar vaste voeding die verhouding ook zo mag zijn.

Oorspronkelijk artikel: How different are baby-led weaning and conventional complementary feeding? A cross-sectional study of infants aged 6–8 months — Morison et al. 6 (5) — BMJ Open

Abstract
Objectives To compare the food, nutrient and ‘family meal’ intakes of infants following baby-led weaning (BLW) with those of infants following a more traditional spoon-feeding (TSF) approach to complementary feeding.

Study design and participants Cross-sectional study of dietary intake and feeding behaviours in 51 age-matched and sex-matched infants (n=25 BLW, 26 TSF) 6–8 months of age

Methods Parents completed a questionnaire, and weighed diet records (WDRs) on 1–3 non-consecutive days, to investigate food and nutrient intakes, the extent to which infants were self-fed or parent-fed, and infant involvement in ‘family meals’.

Results BLW infants were more likely than TSF infants to have fed themselves all or most of their food when starting complementary feeding (67% vs 8%, p<0.001). Although there was no statistically significant difference in the large number of infants consuming foods thought to pose a choking risk during the WDR (78% vs 58%, p=0.172), the CI was wide, so we cannot rule out increased odds with BLW (OR, 95% CI: 2.57, 0.63 to 10.44). No difference was observed in energy intake, but BLW infants appeared to consume more total (48% vs 42% energy, p<0.001) and saturated (22% vs 18% energy, p<0.001) fat, and less iron (1.6 vs 3.6 mg, p<0.001), zinc (3.0 vs 3.7 mg, p=0.001) and vitamin B12 (0.2 vs 0.5 μg, p<0.001) than TSF infants. BLW infants were more likely to eat with their family at lunch and at the evening meal (both p≤0.020).

Conclusions Infants following BLW had similar energy intakes to those following TSF and were eating family meals more regularly, but appeared to have higher intakes of fat and saturated fat, and lower intakes of iron, zinc and vitamin B12. A high proportion of both groups were offered foods thought to pose a choking risk.

 

Opvolging

Foto: Masi Oka moet als Hiro Nakamura zijn vader Kaito Nakamura (gespeeld door George Takei) opvolgen in het familiebedrijf en als held in Heroes (2006–2010)

Wat of ik dacht van opvolgmelk, werd me in een Facebook privé berichtje gevraagd. En of ik daar ook een artikel over wist. Mijn antwoord was kort: opvolgmelk is onzin en ik weet even zo gauw geen artikel erover. Voornamelijk wist ik geen artikel* omdat het non-issue is, ofwel men praat de reclamepraatjes van de fabrikanten na ofwel men vindt het te zot om woorden aan vuil te maken. Napraten van verkooppraatjes kom je breeduit tegen. Ook in de zorg. Ook door mensen die beter zouden moeten weten. Zorgverleners die doodleuk, zonder een spier te verrekken of in luid en draconische lachen uit te barsten, met droge ogen verklaren dat het kindje na een half jaar uitsluitend borstvoeding nu opvolgmelk nodig heeft bij de boterham. Borstvoeding hoeft helemaal niet opgevolgd en vervangen te worden, dat blijft gewoon goed. Dat blijft zelfs nog jaren goed.

De marketing was wel weer heel erg slim. Eerst wordt het idee de wereld in geholpen dat de samenstelling van moedermelk na een half jaar drastisch verandert. Vervolgens dat dus de kunstvoeding ook moet veranderen. Nu is het niet helemaal een leugen van die veranderende samenstelling van moedermelk, maar de hele waarheid is het ook niet. Moedermelk is voortdurend wisselend van samenstelling, maar in voedingswaarde blijft het gedurende de hele borstvoedingsperiode (na de colostrumfase) min of meer gelijk. Het wordt na een jaar of zo wel wat vetter. Maar het wordt nooit minder voedzaam of minder rijk aan nutriënten. Opvolgmelk heeft een veel mindere voedingswaarde dan de gewone kunstvoeding, die al een karig alternatief is voor moedermelk.

Wat er in moedermelk door de maanden en jaren vooral verandert is de soort weerstand die het biedt. Er zitten namelijk precies die antistoffen in die het kind nodig heeft. Bij elke keer dat hij zijn actieradius vergroot (ook als hij ineens de aarde van de potplanten ontdekt of de inhoud van de kattenbak), besmet hij zijn moeder met die ziekteverwekkers als hij drinkt of natte slobberkusjes met haar deelt. In de borst worden dan razendsnel bijpassende antistoffen gemaakt en bij de volgende borstmaaltijd krijgt hij die al weer binnen. Daar kan geen opvolgmelk tegenop natuurlijk. Met of zonder belerende reclame-crèche-leidster met haar mooie ‘’tot-drie-jaar’’ diagram. En bij het afbouwen van de melkproductie als het kindje naar stoppen toe gaat, wordt de melk geconcentreerder, met nog meer antistoffen. Nog even een laatste boost met de laatste borst, een boostborst of borstboost als het ware.

Opvolgmelk, en daarna peutermelk of groeimelk, zijn volkomen onnodige, verzonnen producten. In feite zijn het enkel middelen die het mogelijk maken voor fabrikanten om reclame voor hun zuigelingenvoeding te kunnen maken. Het zijn directe gevolgen van het verbod op reclame voor zuigelingenvoeding tot 6 maanden. Volgens de WHO en de First Steps Nutrition Trust zijn ze onnodig, onwenselijk en niet goed voor de gezondheid van kinderen. Het is erg jammer dat veel zorgverleners dit niet inzien en vrolijk de adviezen over opvolgmelk opvolgen die ze door de fabrikanten ervan ingefluisterd krijgen.

Zolang melk nog het hoofdbestanddeel is van het menu van een kind (tot de eerste verjaardag ongeveer) heeft het kind borstvoeding nodig en bij gebrek daaraan gewone kunstvoeding nummer 1. Als melk niet meer het hoofdvoedsel is maar bijvoeding wordt, dan is het nog steeds borstvoeding en bij gebrek daaraan volle koe- of geitenmelk. Kinderen die borstvoeding krijgen hebben geen andere melk nodig. Kinderen die geen borstvoeding krijgen hebben een volledige zuigelingenvoeding nodig of volle koe- of geitenmelk. Geen enkel kind heeft opvolgmelk, peutermelk of groeimelk nodig.

*) Ik bleef er toch mee bezig, met dit onderwerp en vond een paar artikelen, zoals de twee hieronder

WHO: Information concerning the use and marketing of follow-up formula. 17-07-2013
‘’The Organization further maintains that as well as being unnecessary, follow -up formula is unsuitable when used as a breast-m ilk replacement from six months of age onwards. Current formulations lead to higher protein intake and lower intake of essential fatty acids, iron, zinc and B vitamins than those recommended by WHO for adequate growth and development of infants and young children.’’
‘’In summary, WHO recommends exclusive breastfeeding for the first six months of an infant’s life. Thereafter, local, nutritious foods should introduced, while breastfeeding continues for up to two years or beyond. Follow-up formula is therefore unnecessary. In addition, follow-up formula is not a suitable substitute for breast milk, due to its content.’’

The First Steps Nutrition Trust: Fortified milks for children: A worldwide review of fortified milks marketed for children over 1 year. (2013)
“Fortified milks are frequently high in sugar and are likely to contribute to higher energy intakes, which may contribute to chronic disease, and the voluntary fortification of foods and drinks needs to be questioned as there is increasing evidence that giving additional nutrients to those who do not need them may have adverse consequences.”
“Fortified milks for older children are being irresponsibly marketed to vulnerable population groups worldwide, and stricter and clearer guidance is needed for International, national and local health departments to ensure that recommendations and regulations can be tightened.”

Meer over opvolgmelk en vervangende melkproducten

 

Medicijnen bij borstvoeding

Medicijnen bij borstvoeding wordt vaak gezien als eng of gevaarlijk en daarom wordt vaak al bij voorbaat gezegd dat je moet stoppen met borstvoeding als je medicijnen moet gebruiken. In deze minicursus leg ik uit hoe kan worden bepaald of het veilig is om een bepaald medicijn te gebruiken als je borstvoeding geeft.

Laten we het eens over borstvoeding hebben

Volgende week start de Nederlandse editie van iLactation, een iConferentie voor zorgverleners die met (aanstaande) moeders en zuigelingen werken. Het thema is ”Laten we het eens over borstvoeding hebben”. Op het programma staan vertaalde toppresentaties van voorgaande Engelstalige edities en een viertal oorspronkelijke Nederlandse (en Vlaamse) presentaties. Ik ben heel erg blij met die oorspronkelijke Nederlandstalige presentaties van zeer gerenommeerde deskundigen: Nienke Tode-GottenbosFemke van RoozendaalTom Van Den Broeck en Marianne Vanderveen-Kolkena. Om te ervaren hoe zo’n iConferentie van iLactation in zijn werk gaat kun je al voor je je aanmeldt deze gratis kennismakingspresentatie van dr. Lawrence Noble, ingesproken door Stefan Kleintjes beluisteren en bekijken. Hoewel ook heel interessant voor moeders, wil ik geïnteresseerde moeders wel oproepen om deze voorbeeld lezing ook aan hun zorgverleners te laten zien om hen aan te moedigen zich aan te melden voor de hele conferentie. Een iConferentie is handig: gewoon thuis of op je werk of in het park op je eigen tijd of in de baas zijn tijd de conferentie volgen, pauzeren, terugkijken of opnieuw kijken: het kan allemaal. Geen reiskosten, geen hotelkosten en je hoeft eer niet een aantal dagen voor uit te roosteren, je hebt weken de tijd om alle presentaties te volgen. Voor lactatiekundigen en kraamverzorgende zijn al studiepunten toegekend, voor verloskundigen en verpleegkundigen zijn ze nog in aanvraag.

De Nederlandstalige sprekers behoeven eigenlijk geen aanbeveling, maar wellicht kent nog iedereen ze. Nienke Tode-Gottenbos is beter bekend als De Groene Vrouw, een specialist op het gebied van voeding en darmgezondheid. Ze is auteur van het vers-van-de-pers boek De Poepdokter. In haar lezing neemt De Groene Vrouw je mee op reis door de darmflora van een pasgeborene. Wat gebeurt er, waar kan het mis gaan en hoe kun je dat voorkomen? Ook gaat ze in op (het moment van) de eerste hapjes en de impact daarvan op de darmontwikkeling. De andere drie sprekers zijn lactatiekundien. Femke van Roozendaal is daarnaast psycholoog, Tom Van Den Broeck is vroedvrouw en musicus en Marianne Vanderveen studeert antropologie. Vanuit die dubbele professionele achtergronden hebben zij het over borstvoeding en de aspecten van borstvoeding die ook hun andere vak beroeren. Het is niet verwonderlijk dat zij het hebben over zaken die verder gaan dan borstvoeding als voedselverstrekking. Zij hebben het over vaak vergeten aspecten van borstvoeding.

Van de vertaalde presentaties wil ik er een extra onder de aandacht brengen. Dr. David Elad is Professor Biomedische Techniek aan de Tel Aviv University. Hij bespreekt wat nu eigenlijk precies in de mond van een kind gebeurt tijdens het drinken aan de borst om die melk van borst naar buik te krijgen. Hij kijkt met zijn bio-technische ogen naar de bewegingen en natuurkundige processen in de mond van het drinkende kind en maakt daarmee een eind aan de ”masseren of zuigen” discussie. De analyse van de tongbewegingen gedurende het drinken aan de borst werd vergeleken tussen gezonde kinderen en kinderen met tongriemproblemen voor en na frenotomie, en tussen borst- en flesvoeding.

Te veel melk

Gonneke van Veldhuizen-Staas, IBCLC
(c) 2006, 2016

Wetenschappelijke versie:
Overabundant milk supply: an alternate way to intervene by full drainage and block feeding. International Breastfeeding Journal 2007, 2:11 (29 August 2007)

Uitgebreid uittreksel in het frans door  Françoise Railhet voor La Leche League Frankrijk.  Op de LLLFsite

Te veel melk

Definitie

  1. Hyperlactatie is een te overvloedige productie van moedermelk tijdens de lactatieperiode. Ook bekend onder de naam overproductie(-syndroom)
  2. Hyperlactatie is de productie van melk bij een man, of bij een vrouw die niet een kind aan de borst heeft. Ook bekend onder de naam galactorrhea.

In dit verband zal uitsluitend aandacht worden besteed aan betekenis 1.

Symptomen bij de moeder

  • blijvende stuwing
  • na het drinken voelen de borsten nog steeds min of meer vol aan
  • lekken tussen de voedingen
  • (soms) neiging tot verstopte melkkanaaltjes en borstontsteking

Symptomen bij de baby

  • ‘’gulzig’’ drinken
  • melk loopt het mondje uit
  • verslikken
  • veel boeren
  • onrust tijdens en na het drinken
    veel spugen, ‘’reflux’’
  • darmkrampen, hoorbaar darmgerommel
  • overvloedige, soms groene, schuimende, stinkende ontlasting
  • zeer grote of juist kleine gewichtstoename
  • niet tevreden na een voeding
  • Niet alle symptomen komen voor bij alle kinderen waarvan de moeder te veel melk voor hun behoefte produceert.

Oorzaken

  • persoonlijke, genetische aanleg
  • borstvoeding management
  • prolactinoom (prolactine afscheidend gezwel in de hersenen)

Behandeling (wanneer de oorzaak waarschijnlijk het borstvoedingsmanagement is)

  • beide borsten zo volledig mogelijk leegkolven
  • baby aanleggen aan beide ‘’lege’’ borsten (1 borst als baby niet wil wisselen)
    • baby zal waarschijnlijk geheel verzadigd en rustig in slaap vallen
  • verdeel het etmaal in tijdblokken van 3 uur
  • voedt de baby telkens wanneer hij aangeeft te willen drinken binnen zo’n tijdsblok aan dezelfde borst
  • begin na het kolven met de laatste borst
  • wissel bij de eerste voeding na het wisselen van tijdblok van borst
    • of na een langere periode van slaap (enkele uren)
  • herhaal het leegkolven indien nodig door weer oplopende symptomen
    • wacht zo lang mogelijk met kolven, minimaal 24 uur
    • maak de intervallen tussen kolfbeurten langer (24 uur – 36 uur – 48 uur – …)
  • bij ernstige vormen van hyperlactatie kan het nodig zijn tijdblokken te maken van 4, 6 of zelfs 12 uur
    • toepassing van tijdblokken van meer dan 4 uur alleen onder begeleiding van een lactatiekundige

Voorbeeld
Niet bedoeld om als schema na te streven!
08.00u: beide borsten leegkolven, baby drinkt 10 minuten links en 5 minuten rechts, valt in slaap
09.30u: wakker, drinkt 15 minuten rechts
10.15u: onrustig, drinkt 10 minuten rechts, valt in slaap
12.00u: wakker, drinkt 20 minuten links
12.45u: onrustig, drinkt 5 minuten links
13.15u: drinkt 15 minuten links, valt in slaap
14.30u: wakker, drinkt 5 minuten links
15.15u: onrustig, drinkt 20 minuten rechts, valt in slaap
15.50u: wakker, drinkt 5 minuten rechts, valt weer in slaap
16.30u: wakker, drinkt 5 minuten rechts
17.00u: onrustig, drinkt 5 minuten rechts, valt in slaap
17.30u: wakker, drinkt 5 minuten rechts, blijft onrustig, drinkt nog eens 5 minuten rechts
17.50u: blijft onrustig, drinkt 10 minuten links
18.10u: blijft onrustig, drinkt meermaals per uur een paar minuten links, doet hazenslaapjes, onrust
20.45u: drinkt 25 minuten rechts, valt in slaap
01.15u: wakker, drinkt 20 minuten links, valt in slaap
04.00u: wakker, drinkt 10 minuten rechts, valt in slaap. Moeder begint stuwing te voelen
07.30u: wakker, drinkt 15 minuten links, onrustig, meer stuwing
08.15u: drinkt 5 minuten links, onrust blijft; stuwing is ernstig
moeder kolft beide borsten leeg, baby drinkt rechts 5 minuten, valt in slaap

Dit is één voorbeeld van een normaal patroon voor een borstkind. Het kind is overdag bij de moeder in de draagdoek of slaapt bij haar in de buurt in een wiegje, box, kinderwagen en slaapt ’s nachts bij haar in bed of direct naast haar bed. De duur van de voedingen is bij benadering en is meer variabel dan in dit schema aangegeven. Opvallend en typerend zijn de onrustige periode in de vooravond, de langere slaapperiode in de vroege nacht en de toenemende onrust bij het weer vollopen van de borsten. Na verloop van tijd zal de stuwing langer wegblijven en kan het afkolven worden uitgesteld tot de namiddag (dus 36 uur na de laatste keer) en dan tot de volgende ochtend (dus 48 uur na de laatste keer) en uiteindelijk niet meer nodig zijn Het frequente drinken aan de borst kan blijven of ook overgaan naar iets langere intervallen. Dit is afhankelijk van de voorkeur van het kind en de manier van produceren van de moeder.

Behandeling bij genetisch aanleg of prolactinoom

Sommige vrouwen hebben van nature een enthousiast werkende melkproductie. Andere vrouwen hebben een verhoogde aanmaak van moedermelk doordat een gezwelletjes in de hypofyse deze aanzet tot verhoogde prolactine afgifte (of zelf prolactine afscheidt). Deze beide vormen van hyperlactatie laten zich met een aangepast borstvoeding management niet of onvoldoende behandelen. De medicatie die normaliter wordt gebruikt voor de behandeling van hyperprolactinemie door een prolactinoom zijn niet geschikt voor gebruik tijdens de borstvoeding, omdat ze potentieel gevaarlijk voor het kind zijn (voor moeder zelf zijn ze ook niet erg gezond, overigens). Daarvoor in de plaats kan salie worden gebruikt, in de vorm van thee of tinctuur. Dit is ongevaarlijk voor de baby. Begin met een kopje saliethee (gezet van een opgehoopte paplepel gedroogde salie per halve liter water, vijf minuten getrokken) per dag en neem meer of minder naar gelang de melkproductie er op reageert. Gebruik van salietinctuur drie maal daags enkele druppels in een kopje water. Pas ook hierbij de dosering aan naar gelang de reactie van de melkproductie. Bouw thee of tinctuur af wanneer de gewenste melkproductie is bereikt.

Het is mogelijk dat salie niet sterk genoeg is voor het onderdrukken van de effecten van een prolactinoom. In dat geval zal over alternatieve oplossingen moeten worden nagedacht.

Hulpmiddelen en technieken bij pijnlijke en kapotte tepels

Pijnlijke tepels zijn niet ”iets wat er nu eenmaal bij hoort”, maar een teken dat er ergens iets niet goed is. Om pijnlijke en kapotte tepels te laten genezen is het noodzakelijk om te weten wat de oorzaak is voor het letsel. Meer links naar lezen over pijnlijke tepels en andere pijn bij borstvoeding vind je op de Themapagina Pijn.

Oorzaken voor pijnlijke en kapotte tepels

De meest voor de hand liggende oorzaak ligt in het drinken van de baby. Lees in het artikel Borstvoeding de basis hoe goed aanhappen en drinken werkt. Er zijn allerlei redenen waarom een kind niet goed aan de borst drinkt. Bijvoorbeeld onhandige technieken, onjuiste begeleiding en informatie in de eerste dagen, drinkverwarring door een fles, fopspeen of andere dingen in de mond. Een andere oorzaak kan zijn dat de anatomie van de mond van het kind anders is, waardoor hij zij tong of bovenlip niet goed kan gebruiken of geen vacuüm kan maken. Ook een spuwbesmetting kan pijnlijke en soms kapotte tepels veroorzaken. Consulteer altijd een lactatiekundige bij pijnlijke en kapotte tepels die niet verbeteren door verbetering van de aanlegtechnieken.

Ondersteunende behandelingen

Terwijl wordt gewerkt aan de oorzaak van het probleem, kunnen ondersteunende behandelingen worden gekozen om de genezing te bevorderen of de pijn te verminderen.

Smeren

Er bestaan allerlei zalfjes en crèmes om op je tepels te smeren. Het meest effectief is een zuivere vette zalf, bijvoorbeeld lanoline, kokosolie of een combinatie van die twee, eventueel gemengd met wat kruidentincturen of etherische olie van bijvoorbeeld calendula om het genezingsproces te ondersteunen. Crèmes zijn minder geschikt omdat ze water bevatten en snel worden opgenomen. Het doel van smeren is juist dat het smeersel niet direct wordt opgenomen, om het proces van vochtige wondgenezing te onderhouden, zodat er geen korstjes ontstaan. Daarnaast bevatten crèmes vaak conserveringsmiddelen. Gebruik nooit middelen die moeten worden verwijderd voor de baby gaat drinken.

Afdekken

Vochtige wondheling kan ook worden bereikt door de tepels af te dekken met gelcompressen. Afdekken kan ook met een plukje vette schapenwol. Schapenwol neemt goed vocht op, maar voorkomt juist dat de huid week wordt. Het verzacht pijn en voorkomt extra pijn door wrijving of stoten van de gevoelige tepels. Plukjes wol werken overigens ook goed op kapotte en schrale babybilletjes.

Tepelhoedjes

Tepelhoedjes hebben hun eigen artikel. Ze kunnen soms nuttig zijn om direct contact met de gekwetste huid te verminderen, terwijl aan de werkelijke oorzaak van het probleem wordt gewerkt. Er zijn ook tepelbeschermers. dit zijn een soort plastic schelpen die in de beha worden gedragen en die voorkomen dat de tepels langs de stof van de beha schuren of er door wondvocht aan vast pakken. Draag deze beschermers (soms ook bekend onder de naam lekschalen) altijd met een niet te strakke beha, om te voorkomen dat de randen in de borst gedrukt worden en daar een verstopping veroorzaken. I sommige culturen is het gewoonte een bepaald soort echte schelp te dragen om kapotte tepels te laten genezen. Er bestaan ook zilveren tepelbeschermers. Beide producten zijn hard en kunnen daardoor schade veroorzaken in de diepere weefsels van de borst als ze in een te strakke beha worden gedragen. Het dragen van borstschelpen of tepelbeschermers kan een kolvend effect hebben, waardoor het systeem van vraag en aanbod kan worden verstoord en het lekken wordt gestimuleerd. Als er door die druk melk in de schelpen lekt, zorgt dit ervoor dat de tepels constant vochtig blijven en week kunnen worden. Dit kan juist een oorzaak zijn voor het ontstaan van wondjes.

Baby: een gebruiksaanwijzing

(c) 2011 Gonneke van veldhuizen-Staas, IBCLC

Een pasgeboren kind is een minimensje-in-de-maak. Net een echt mens, maar dan klein en kwetsbaar en nog vol met verwachtingen. Zo verwacht een baby bijvoorbeeld dat hij altijd dicht bij andere mensen zal zijn. Dingen als honger verwacht hij dan weer helemaal niet, dat is een onbekend gevoel. Uren slapen in een stil, donker, rustig kamertje is iets waar hij zich niets bij kan voorstellen, maar hij verwacht wel dat hij in contact met een ander mens meestal in beweging zal zijn en tussen eten door kleine dutjes zal doen. Maar vooral verwacht hij dat er van hem gehouden zal worden en dat mensen hem zo de moeite waard zullen vinden dat zij naar hem zullen luisteren. Want dat is de manier waarop een mensenkind de belofte om een echt mens te worden waar kan maken.

Lees de PDF met het volledige artikel 

Ten derde

Foto: Jenna Mattison als Maggie Malone en Betty White als Lettie  in The Third Wish.

We hebben de baby eten gegeven en de melkproductie veilig gesteld, nu is het de beurt aan het veilig stellen van de borstvoeding. Dat lijkt misschien een vreemde volgorde voor iemand die altijd zo op het belang van borstvoeding hamert en borstvoeding belangrijker vindt dan de melk. En toch is dat de volgorde van belangrijkheid. Maar dat wil niet zeggen dat die drie dingen ook perse in een chronologische volgorde na elkaar moeten worden uitgevoerd. Met name ‘ten tweede’ en ‘ten derde’ kunnen naast elkaar voorgang vinden. In feite zijn er een aantal maatregelen die zowel 2 als 3 bevorderen. En er zijn omstandigheden waar het tweede wel kan en het derde niet of omgekeerd.

Borstvoeding is een proces waarbij moeder en kind samenwerken aan een relatie, inwerken op elkaars hormonale systemen en hersenverbindingen en waarbij de baby de moeder (of liever gezegd haar borsten) stimuleert tot het maken en loslaten van melk die hij vervolgens opdrinkt. Borstvoeding is oneindig veel meer dan een handige manier om goede voeding in de baby te krijgen. Borstvoeding geven is oneindig veel meer dan eten geven, het is liefde geven en ontvangen, het is opvoeding, het is karaktervorming, bescherming, verpleging en relatie-coaching. Borstvoeding nemen is naast eten vooral ook jezelf beschermen, ontwikkelen en investeren in je toekomst.

De borstvoeding veilig stellen begint voor elk moeder-kind-paar met het volgen van de biologische basisregels voor het species-specifiek voeden en verzorgen van de baby. Om dr. Nils Bergmann nog maar eens te citeren: ‘’ZERO SEPARATION!’’ Geen scheiding van moeder en kind. Scheiding van moeder en kind is zowat de meest gemaakte en een van de ernstigste medische missers die je je denken kunt. Een kind dat werd gescheiden van zijn moeder is in een acute en ernstige staat van stress, verbruikt onnodige energie, zijn hersenen ondergaan aanvallen van cortisol en adrenaline en processen van leren, gevoed worden, voedsel opnemen, groeien en ontwikkelen worden stopgezet of op de laagste stand aan de gang gehouden. Ook het lichaam van de moeder reageert slecht op scheiding van het zojuist geboren kind en reageert met stress- en rouw symptomen op die scheiding. Dit is niet erg gunstig voor het op gang komen van de melkproductie. Ja u leest het goed, dit schreef ik eerder al over het veilig stellen van de melkproductie. Het geldt voor beide en kan niet te vaak gezegd worden.

Soms is het niet mogelijk een kind aan de borst te voeden. In dat geval moet er een melkproductie veilig gesteld worden bij de moeder of bij een andere moeder. Maar als er geen eigen melkproductie is kan er wel degelijk aan de borst gevoed worden. Als er een borst is met genoeg weefsel om een kind houvast te geven kan er aan de borst gevoed worden en gelden alle andere factoren behalve voeding nog volop. De melk wordt dan via een hulpsysteem aangevoerd terwijl de baby aan de borst drinkt. (Zie Voeden.) Zo is dan alsnog de borstvoeding veilig gesteld. Wanneer het voeden aan de borst op geen enkele manier mogelijk is, moet worden gezocht naar alternatieven die behalve het voeden en het voedsel ook de andere aspecten van aan de borstvoeden vervangt: de techniek, de nabijheid, de intimiteit, het door het kind bepaalde voedingsritme, de hoeveelheden, … .

Eén, twee, drie

Miniserie Een, twee, drie als Zondags Leesvoer. Eerder verschenen als drie losse blogs in december 2012

Eén

Foto: Een scene uit Star Trek: The Next Generation (S1, E21): Symbiosis waarin de bewoners van twee buur-planeten meer in symbiose moeten leren leven.

Een moeder en haar ongeboren kind zijn een symbiotische eenheid. Ze leven samen en delen hun bronnen tot beider voordeel. Soms wordt een ongeboren kind ook een parasiet genoemd. Een parasiet is een organisme dat leeft in of op een gastheer (of –vrouw) en de bronnen van de gastheer gebruikt voor eigen voordeel en ten nadele van de gastheer. Een ongeboren kind leeft niet ten koste van zijn moeder, maar gebruikt wel haar bronnen. In ruil daarvoor zorgt hij ervoor dat het lichaam van de moeder efficiënter werkt en stelt hij het voortbestaan van de soort veilig. Dat systeem gaat ook nog een poosje verder wanneer het kind is geboren.  In plaats van in elkaar, leven de symbioten moeder en kind dan tegen elkaar en gebruiken dezelfde bronnen om zichzelf en elkaar te onderhouden. Moeder en kind hebben elkaar en elkaars nabijheid hard nodig. Net als bij echte symbioten maak je waarschijnlijk bij beiden iets kapot als je ze uit elkaar haalt.

Het van elkaar losmaken van een moeder en haar kind is een proces dat maanden duurt en heel, heel geleidelijk en omzichtig moet gebeuren. Het begin van het losmaken is wanneer een kind zijn ogen open doet en voorbij zijn moeder kan kijken. We zijn dan inmiddels een drie-vier maanden voorbij zijn geboorte en het kind heeft in die tijd zijn geboortegewicht verdubbeld en een stevig basisnetwerk van synapsen (zenuwverbindingen) in zijn hersenen gelegd. Het kind wordt alerter naar de buitenwereld, ziet en merkt op dat daar nog een hele wereld is buiten de eenheid van zijn symbiose. Ook moeder begint haar ogen nu wat meer naar buiten te richten en kan zich weer enigszins concentreren op wat buiten haar moeder-kind-cocon gebeurt. Maar dit beleven van de buitenwereld gebeurt voor zowel moeder als kind nog bij voorkeur vanuit de veiligheid van het samenzijn.

Weer een drie maanden verder, als het kind een half jaar oud is, begint de tweede stap in de losmaking door de groeiende interesse in ander voedsel dan moedermelk. En de groeiende interesse in het in de mond stoppen van andere dingen dan de borst van zijn moeder en zijn eigen bereikbare lichaamsdelen. Moeder en kind zijn er nu ook aan toe om nu en dan eens bij elkaar in de buurt te zijn zonder elkaar aan te raken. Tot dan toe was de wederkerige invloed en regulatie van elkaars zenuwstelsel, hormoonsysteem en metabolisme nog zo belangrijk dat een fysieke scheiding bij beide tot onrust leidde. Bij de baby in direct herkenbare onrust en stressverschijnselen. Bij moeders worden onder culturele invloeden deze onrustverschijnselen vrij eenvoudig onderdrukt of omgeleid en anders geïnterpreteerd.

Weer een maand of drie later is er een tweede ontwaken van het bewustzijn van het kind. Halverwege het tweede halve levensjaar ontdekt een kind dat er niet alleen een wereld vol met entiteiten is buiten de symbiose, maar dat zijn moeder en hij in feite ook twee entiteiten zijn. Dat is iets dat onderzocht en ge-experimenteerd moet worden en tegelijkertijd heel erg eng is. Het is ook niet zomaar iets, je te realiseren dat de helft van je wezen een ander wezen is. Hoe kun je Ik en Jij maken van Wij als je het wij nog niet kunt benoemen? Want er zijn nog geen woorden voor al die begrippen op deze leeftijd. Expansiedrift en ultieme aanhankelijkheid tekenen deze fase, die bekend is ‘’eenkennigheidsfase’’. Een betere naam zou zijn ‘’tweekennigheidsfase’’. Moeders lijf begint rond deze tijd weer te lijken op dat van voor de zwangerschap en het van haar lichaam af bewegen van haar kind komt haar nu goed uit. Maar niet te lang, want dat is nog erg onwennig.

In de volgende fase van negen maanden gaat het hard: kind gaat kruipen, staan en lopen, en leert communiceren met woorden en taal. De expansie gaat verder en de periodes los van moeder worden langer en meer ander eten gaat borstvoeding vervangen. Maar na de expedities zijn moeders schoot en borst nog steeds de veilige haven waar alle nieuwe belevenissen en vaardigheden kunnen worden verwerkt; waar vergeten maaltijden kunnen worden ingehaald. Waar enge dromen in het donker van de nacht inderdaad alleen maar dromen blijken te zijn.

Na die negen maanden komt de derde grote mijlpaal in het ontwaken van het bewustzijn: het kind leert  Ik, Jij en Wij herkennen, onderscheiden en benoemen. Het bewustzijn wordt zelfbewustzijn en hij kan zichzelf Ik noemen. Gelijk daarna komt Ik ben, Ik wil en vooral Ik wil niet. De enormiteit van deze ontdekkingen heeft de veilige haven nodig om bij te komen. Moeder, niet meer de andere helft van het symbiotische Wij, maar nog steeds de ankerplaats, de accu-oplader, de schuilhut. Nog steeds, en nog wel een tijdje langer, samen een beetje Eén.

*)

Twee

Foto: Jennifer Grey als Frances ‘Baby’ Houseman en Patrick Swayze als Johnny Castle  intens in elkaar opgaand dansend in Dirty Dancing

‘’It takes two to tango,’’ want sommige dingen kun je nu eenmaal niet alleen. Borstvoeding bijvoorbeeld is zoiets waar je op zijn minst voor met zijn tweeën moet zijn. De een geeft, de ander neemt of krijgt. Sommige mensen noemen dit een nadeel van borstvoeding. Je moet ervoor met twee zijn en het moeten eigenlijk altijd dezelfde twee zijn. Iemand anders kan het moeilijk overnemen. Nu ja, dat kan wel, maar een min vinden veel mensen een nog vreemder idee, en ook dan moet de oorspronkelijke gever maatregelen nemen om de melk te verwijderen. En waar je voor een tango na elke dans van partner kan wisselen, zo je dat zou willen, zit je aan je borstvoedingpartner wel een poosje vast. Dus dat kan maar beter een beetje klikken. Gelukkig kun je het geluk wel een beetje helpen en ervoor zorgen dat je de beste kansen hebt dat het klikt. Twee tips om de tango voor twee een goede kans te geven.

Eén van twee: Als je voorlopig met zijn tweetjes aan de gang moet, kun je daar maar het beste zo snel mogelijk aan wennen. Wennen doe je door zoveel mogelijk tijd met elkaar door te brengen. Eigenlijk is dat een één-tweetje. Je leert elkaar het beste kennen door veel bij elkaar te zijn, naar elkaar te kijken, met elkaar te praten en elkaar aan te raken, te voelen, te ruiken, te proeven. Al je zintuigen te laten overstromen met elkaars signalen. Als een verliefd stelletje alleen oog en oor voor elkaar, volkomen in elkaar opgaand.

Twee van twee: Luister alleen naar adviezen die goed voelen. Bij de geringste sporen van twijfel in je hoofd of in je hart, niet doen. Kies bij voorkeur ook maar enkele mensen waarnaar je luistert, op basis van vertrouwen in hun kennis en attitude, die ze, al voor de borstvoeding begon, uitstraalden. Pas op voor zorgverleners die in het plaatje* van Jack Newman passen. Pas op voor mensen met ervaringsverhalen die meer op horrorstory’s lijken. Pas ook op voor adviezen om vooral ook ‘’aan jezelf te denken’’. Op dit moment denk je het beste aan jezelf door aan je baby en jezelf samen te denken. Je functioneert nu namelijk beter als je met zijn tweeën tangoot.

Drie

Foto: De drie Musketiers (Charlie Sheen als  Aramis, Kiefer Sutherland als Athos en Chris O’Donnell als D’Artagnan) gedrieen één in The Three Musketeers (met Oliver Platt als vierde musketier Porthos)

Alle goeie dingen gaan in drieën, daarom nu de derde in de reeks één-twee-drie. Eén was de twee-eenheid, de symbiose van moeder en kind. Twee ging over twee tips om met verve de borstvoeding-tango met zijn tweetjes te dansen. Drie geeft drie basiswetten voor de zorg voor een pasgeboren kind: 1: geef de baby te eten. 2: Stel de melkproductie veilig. 3. Stel de borstvoeding veilig. En een paar aanwijzingen voor als met name 2 en 3 problemen geven.

1. Geef de baby eten.

Het lijkt een open deur, want is dat niet juist waar alle strijd over bijvoeding altijd over gaat. Ja, maar die strijd is er omdat het zo vreselijk belangrijk is dat een baby eet. Een gezonde, op tijd en zonder complicaties geboren baby heeft weliswaar een flinke reserve aan voedsel en vocht en hij zal heus niet dood gaan als hij de eerste paar dagen nauwelijks iets binnenkrijgt. Een baby wordt zelfs geboren met ingebouwde beveiligingssystemen voor als er zich direct na zijn geboorte een ramp zou voordoen en er geen eten beschikbaar is. Hij gaat over op het noodaggregaat en sluit alle systemen af, behalve die voor minimaal levensonderhoud. Hij gaat letterlijk in de stand-by modus en sluit zich af. Hij gaat slapen, houdt zich stil, reageert nauwelijks op prikkels, geeft geen hongersignalen, en verbruikt zo min mogelijk energie. Hij blijft in leven, maar daar is alles mee gezegd. Hij groeit niet, valt zelfs af, en ontwikkelt niet. Bij een beetje eten is het beeld iets rooskleuriger, maar het blijft bij het in stand houden van het leven zonder groei en ontwikkeling.

Geef de baby eten is dus de eerste wet. Liefst moeders eigen melk aan de borst. Als dat niet kan of onvoldoende is, moeders eigen afgekolfde melk, aan de borst of op andere manier bij gegeven. Als er niet genoeg van de eigen melk is, dan de melk van een andere moeder, aan de borst of op andere manier bij gegeven. Bij gebrek aan menselijke melk kunstvoeding van welk merk ook (de kwaliteitsverschillen zijn marginaal zo al bestaand bij regulier in de winkel verkrijgbare merken), ook weer aan de borst of op andere manier bij gegeven. Als de nood hoog is en geen menselijke melk of kunstvoeding voorhanden of verkrijgbaar kan zelfs gewone melk, met water, een schepje suiker en een scheutje olie, gebruikt worden*. Dit laatste alternatief is enkel bedoeld als noodoplossing voor korte tot zeer korte duur tot een beter geschikte vervanger voorhanden is.

2. Stel de melkproductie veilig.

In het kader van regel 1 is moedermelk de preferabele voedingskeuze, dus terwijl de baby van eten wordt voorzien, wordt aan het veilig stellen van deze eerste voedselbron gewerkt. De meeste melk wordt gemaakt wanneer het meeste melk wordt gevraagd. De borsten moeten voor een optimale productie zo vaak mogelijk worden gestimuleerd. De eerste optie voor stimulatie is een frequent (minimaal 12/24uur, liever vaker) en effectief drinkende baby. een niet effectief drinkende baby wordt ondersteund door masseren tijdens het drinken (diepe borstcompressie**) en wisselvoeden (elke voeding komt elke borst minimaal 2 keer aan de beurt). Zolang er nog onvoldoende melk is wordt extra melk bij voorkeur aan de borst bijgegeven voor extra stimulatie en voor het voorkomen van verwarring van technieken. Als dit nog onvoldoende werkt, of niet goed kan worden toegepast, is frequent kolven de volgende stap. In de eerste dagen postpartum is afkolven met de hand het meest effectief, zodra de melk minder kleverig wordt en in grotere hoeveelheden komt, kan een dubbelzijdige elektrische kolf in combinatie met massage beter werken.

Wanner vaak en goed voeden en kolven niet snel tot verbetering van de melkproductie leiden is medicinale ondersteuning aangewezen. Keuzemogelijkheden zijn kruiden of reguliere medicijnen. De kruiden zijn fenegriek (zet aan tot meer afgifte van prolactine) en galega (zet aan tot grotere groei en aanleg van melkklierweefsel), eventueel ondersteund met gezegende distel. De medicijnen zijn medicijnen met als bijwerking de afgifte van extra prolactine. Het zijn vooral sommige psychofarmaca en maagmedicijnen die deze bijwerking hebben. Omdat psychofarmaca te veel andere bezwaren hebben, valt de keuze eerder op de maagmiddelen, met name domperidon. Dit middel wordt gewoonlijk ingezet bij misselijkheid en zorgt voor een snellere passage van het voedsel door de maag. Het gebruik via de mond door gezonde vrouwen in de vruchtbare leeftijd zonder bestaande hartproblemen is zonder gevaar voor hun gezondheid of die van de baby.

Wanneer ~zeer frequent~ en ~effectief~ de borsten legen en ondersteuning met medicijnen en/of kruiden niet tot een volle melkproductie leiden, moet worden aangenomen dat dat er niet meer inzit en dat voor de verdere periode van volledige borstvoeding meer of minder vervangende melk nodig is. Zie voor opties regel 1. Onthoud dat, hoewel in principe elk lichaamsonderdeel goed hoort te functioneren, bij sommige mensen sommige onderdelen dat niet doen. Sommigen kunnen niet goed horen of niet goed zien, anderen kunnen niet goed melk maken.

3: Stel de borstvoeding veilig.

Uiteindelijk wil iedereen het liefst zorgeloos aan de borst voeden en gevoed worden. Terwijl de baby eten krijgt en de melkproductie veilig wordt gesteld, wordt daarom ook aan dat ‘simpele’ en ‘vanzelfsprekende’ voeden gewerkt. Als een baby honger heeft gehad en op stand-by is geweest, moet hij waarschijnlijk eerst groeien en aansterken om zelfstandig voedsel binnen te kunnen krijgen. Technieken zijn in die periode van minder belang dan eten binnen krijgen op welke manier ook. Het is wel handig wanneer zoveel mogelijk verwarrende technieken kunnen worden vermeden. Aan de borst bijvoeden, mee masseren en andere technieken om te zorgen voor een vlotte melkstroom hebben daarom de voorkeur boven alle andere manieren van bijvoeden. Maar als dat voor moeder en/of kind te veel stress of prestatiedwang geeft, zijn er alternatieven zoals cupvoeden, vingervoeden of zelfs flesvoeden***.

Wanneer een kind sterker wordt kan hij volkomen vanzelfsprekend zelf een goede techniek ontwikkelen. Voor kinderen die dat niet doen of op andere manieren zijn bijgevoed, kan worden begonnen met Biological Nurturing als manier en houding van aanleggen. In deze houding heeft de baby de meeste controle over wat hij doet en werken zijn reflexen voor het zoeken naar, aanhappen van en drinken aan de borst het beste. Als het drinken aan de borst problemen geeft, zoek dan eerst of er lichamelijke oorzaken voor zijn, zoals een afwijkende anatomie van de mond. Als die er niet zijn, of goed worden behandeld, kan alsnog met het aan de borst drinken worden begonnen.

Sommige kinderen die een erg moeilijke start hebben gehad, blijven moeite houden met drinken aan de borst. Hun techniek wordt nooit optimaal of ze blijven hulpmiddelen nodig hebben. En sommige moeders kunnen niet genoeg melk maken, maar kunnen wel volledig borstvoeding blijven geven. En andere moeders hebben genoeg melk, maar hun baby krijgt het maar niet voor elkaar om die aan de borst te drinken. Er zijn meer wegen die naar Rome leiden en elke weg is goed als die goed gekozen of bewegwijzerd is en met liefde gelopen wordt.

Hulpmiddelen en technieken bij verstopte melkkanalen en borstontsteking

Gonneke van Veldhuizen-Staas, IBCLC
© 2010 , 2016

Een borstontsteking is over het algemeen een inflammatie als gevolg van een verstopt melkkanaal. Om een of andere reden (bijvoorbeeld afknelling door voedingshouding, kleding of accessoires, ineffectieve drinktechnieken of te lange tijd tussen de voedingen) blijft er melk achter in de melkkanalen. Deze melk dikt wat in en zorgt er zo voor dat er nog minder doorstroming mogelijk is. Als deze verstopping niet wordt opgelost (door goed en vaak aanleggen of kolven en massage) kan de druk op de weefsels zo oplopen dat er een ontstekingsreactie ontstaat: er is een toevloed van extra vocht, de temperatuur ter plekke loopt op en de weefsels en de huid eromheen worden rood en pijnlijk. Als dit niet wordt opgelost breidt de temperatuursverhoging zich uit tot het hele lichaam en ontstaat koorts. Ergens tijdens dit proces kunnen de nu kwetsbare weefsels aantrekkelijk worden voor bacteriën en kan er naast de ontsteking ook een infectie ontstaan.

De eerste lijn van behandeling van een verstopping of ontsteking in de borst is het grondig leegmaken van de borst. Dit kan door het kind vaker te laten drinken en mee te masseren tijdens het drinken. Let goed op of het kind ook daadwerkelijk effectief drinkt (zie [borstvoeding basis]). Zorg ervoor dat afknellen door houding, kleding en accessoires niet meer kan gebeuren. In tegenstelling tot andere ontstekingen is het bij een borstontsteking niet aan te bevelen koude kompressen te gebruiken. Warmte zal de doorstroming van melk bevorderen. Koele kompressen kunnen wel pijnstillend werken. Het verdient aanbeveling om zolang de behandeling duurt zo veel mogelijk rust te nemen.

Bij een borstontsteking die met de gewone maatregelen niet wordt opgelost kunnen andere maatregelen te ondersteuning worden toegepast. Indien er sprake is van een infectie kan een arts antibiotica voorschrijven die gebruikt kunnen worden terwijl de borstvoeding wordt voortgezet.

Massborstmassage2age

Borstmassage kan worden toegepast vóór de voeding of tijdens een voeding. Tijdens de voeding wordt er vrij stevige druk uitgeoefend vanaf achter de verstopte plaats en die druk wordt verplaatst in de richting van de tepel. Probeer al te veel wrijving over de huid te voorkomen. Borstmassage vóór de voeding is bedoeld om de borst zo soepel mogelijk te maken en wellicht al een toeschietreflex op te wekken. Op die manier kan het makkelijker zijn de verstopping te lossen. Borstmassage veroorzaakt minder wrijving op de huid als een massageolie wordt gebruikt. Borstmassage kan ook worden toegepast voor en tijdens afkolven.

Zoutwaterbad

Bij borsten die ‘’op slot zitten’’ (vastzittende stuwing), een verstopt melkkanaal of een borstontsteking die niet door drinken en masseren loskomt, kan een dompelbad in zout water (30 gram zout per liter water) helpen. Hiertoe wordt zeezout (al dan niet met kruiden of etherische oliën) of Magnesium zout (Epsom zout) opgelost in kokend water. Voeg koud water toe tot de oplossing een net verdraaglijke temperatuur heeft (als een heel warm bad). Laat nu de betroffen borst in de kom met de zoutoplossing hangen. Als de borst door en door warm is, iets omhoog komen en de borst enkele keren van boven naar beneden masseren. Herhaal dit enige keren of zolang het water warm blijft. Spoel het zout van de tepel en tepelhof, dep de borst droog en leg de baby aan. Masseer de borst vanaf achter de verstopping in de richting van de tepel tijdens het voeden. Indien de verstopping niet is opgelost, verwarm het zoute water dan opnieuw en herhaal het borstbad, gevolgd door stevige massage en kolven met de hand op de verstopte plaats of opnieuw aanleggen.

groeneleemdrogend Groene leem

Groene leem is in de natuurgeneeskunde bekend en gewaardeerd als oplosser van ontstekingen. Toegepast als pasta of pleister op een ontsteking onttrekt het extra vocht en overbodige warmte en afvalstoffen aan de ontsteking en helpt het lichaam zo om zichzelf sneller te genezen. Meng wat van het poeder met een beetje water tot en dikke pasta en smeer dat op de ontstoken plek (dek desgewenst of met een dun katoenen lapje). Laat het daar ongeveer 30-45 minuten zitten of tot het opdroogt en spoel af met lauw water. De pasta kan ook eerst op een stukje katoen worden gesmeerd, waarna dit als een pleister op de ontstoken plaats wordt aangebracht.

kwarkkompresKwark

Kwark (platte kaas, verse kaas) kan op dezelfde manier worden toegepast als groene leem. Neem een goede kwaliteit naturel kwark, die niet is opgeklopt, gezoet of van smaakjes voorzien. Kwark uit de koelkast kan dienen als een koel kompres wanneer pijnstilling gewenst is.

Gember pleister

Gember is verwarmend en bevordert de bloedsomloop en kan daardoor de doorstroming van de melk bevorderen. Rasp verse gember, spreidt dit uit op een dun katoenen lapje, vouw dit dicht en leg dit op de ontstoken plaats. Dek af met een warme doek of een pluk wol. Zorg dat de gember niet direct op de huid ligt. Toepassen ongeveer een kwartier voor de volgende voeding wordt verwacht of voorafgaand aan massage.

Warme okamillethewikkelf koele kompressen

Gebruik op en ontstoken borst nooit echt koude kompressen (dus geen ijs en geen koelelementen), omdat dit de doorstroming van de melk ernstig kan belemmeren door samentrekking van de melkkanalen. Gebruik vlak voor voeden, kolven en/of masseren altijd warme kompressen; gebruik indien gewenst erna koele kompressen als pijnstilling. De eenvoudigste koele of warme kompressen zijn in koud dan wel heet water gedrenkte en vervolgens uitgewrongen doeken die vervolgens op de borst worden gelegd. Koude kompressen blijven verder onbedekt om door verdamping het koelen te versterken; warme kompressen worden met een pluk wil en/of een droge warme doek afgedekt om warmt verlies zo veel mogelijk te vermijden. Kompressen werken echter sterker als er kruiden aan het water worden toegevoegd. Zet voor een warm kompres een sterke thee van kamille. Voeg aan het koude water voor een koel kompres de geraspte schil en het sap van een citroen toe.

Protocol mastitis Academy of Breastfeeding Medicine

Ten tweede

Foto: Stockard Channing als Ouisa en Donald Sutherland als Flan  in Six Degrees of Separation

 

Ten tweede: stel de melkproductie veilig. Volgens de eerste regel heeft de baby eten gekregen, de tweede stap is om ervoor te zorgen dat het eten dat hij krijgt voor zover enigszins mogelijk de melk van zijn eigen moeder is. Welke melk de baby nu ook krijgt en op welke manier hij dat ook krijgt, het doel is dat hij uiteindelijk volledig leeft, groeit, gedijt en zich ontwikkeld op de melk van zijn eigen moeder. Gelukkig is het overgrote deel van alle moeders die een kind hebben gekregen volkomen in staat een ruim voldoende hoeveelheid melk voor haar kind te maken. Er zijn helaas ook heel veel moeders die die melk onder bemoeilijkende omstandigheden moeten produceren, waardoor het kan lijken dat zij geen melk kunnen maken. Of niet genoeg of melk die niet goed genoeg is. En dan zijn er helaas ook vrouwen die echt niet genoeg of helemaal geen melk kunnen maken. Het enige dat eigenlijk onbestaanbaar is, is dat er wel melk is, maar geen voeding in de melk. Dat is wel een hele zorg minder.

Punt is dat we van te voren eigenlijk niet kunnen weten van een individuele moeder of zij hoort tot die paar promille die werkelijk fysiek niet in staat is tot het produceren van melk, tenzij haar borsten zijn afgezet. Geen borsten, geen melk; een harde, maar simpele waarheid. Vrijwel alle andere borsten verklappen niet door hun maat of vorm hun capaciteit. Er zijn evenwel enkele aanwijzingen die mogelijk kunnen wijzen in de richting van problemen met de productiecapaciteit. Vrouwen met deze tekenen doen er goed aan al voor de geboorte van hun kind advies te zoeken bij een goede lactatiekundige, zodat ze goed voorbereid zijn. Voor alle vrouwen geldt dat een verkeerd beleid in de eerste uren en dagen een in aanleg goede melkproductie capaciteit om zeep kan helpen, en dat is niet altijd omkeerbaar door aanpassingen in dat beleid na de eerste dagen. Soms wel, niet altijd en vaak alleen met veel pijn en moeite in de vorm van bloed, zweet en tranen.

Vrouwen die vanaf de geboorte niet de gereedschappen hebben meegekregen of bij wie die gereedschappen in de loop van hun leven zijn weggenomen, kunnen geen melk maken. Dat kan een anatomisch probleem zijn –gebrekkige of ontbrekende aanleg van melkklierweefsel- of hormonaal. Vrouwen met een verstoring rond de hormonen die melkproductie en afscheiding mogelijk maken, hebben vaak ook problemen met andere onderdelen van het hormonale stelsel. Zij werden bijvoorbeeld ook niet of maar moeizaam spontaan zwanger, kwamen pas laat in de puberteit of hadden een heel onregelmatige cyclus. Ook hirsutisme of PCOS kunnen wijzen op een mogelijk verstoorde melkproductie, hoewel deze ook in de richting van een overproductie kunnen gaan. Hormonale problemen zijn vaak goed medicinaal te behandelen, waarna normale borstvoeding mogelijk is. Kleine borsten op zich hoeven niet op een te kort aan klierweefsel te wijzen. Ontbrekend klierweefsel kan door middel van echografie worden vastgesteld.  Ontbrekend klierweefsel kan niet worden gerepareerd.

Vrouwen met een in essentie normale aanleg van klierweefsel en een normaal functionerend hormonaal systeem kunnen door omstandigheden problemen ervaren met het maken van melk. Zij kunnen door bijvoorbeeld medicijngebruik, ziekte of stress een afwijking krijgen in de hormoonfunctie. Of zij hebben een zware bevalling gehad en zijn oververmoeid en verzwakt. Bij vrouwen die tijdens en na de baring erg veel bloed verloren kan de melkproductie vertraagd op gang komen. Achtergebleven placentaresten belemmeren de werking van de hormonen die moedermelk maken en uitscheiden. Medicatie voor het aanmoedigen van de baring en pijnstilling kunnen het op gang komen van de melkproductie op verschillende manieren belemmeren of bemoeilijken. De meeste van deze problemen kunnen worden behandeld, waarna normale melkproductie weer of alsnog mogelijk is. Om dat te bereiken is naast het behandelen van de conditie die de problemen veroorzaakt ook een strikt gehanteerd optimaal borstvoedingbeleid nodig.

Dan als derde de groep vrouwen met wie eigenlijk niets aan de hand is, prima aanleg, prima hormonaal functioneren, hooguit kleine factoren die wat extra oplettendheid zouden vergen, kortom het overgrote deel van alle vrouwen die normaal zwanger worden en een kind krijgen en perfect tot normaal voeden in staat zouden moeten zijn. De vrouwen bij wie vervolgens de hele boel deskundig om zeep wordt geholpen door onwetendheid en onbenul. Deels dat van hen zelf, maar vooral en bovenal door de mensen die hen adviseren en begeleiden. Een over Facebook zwervende spreuk stelt dat in onze tijd van informatie onwetendheid een keuze is. Dat is in principe wel waar, maar niet iedereen is in staat om op de goede plaats op basis van de goede vragen de goede informatie te vinden. Veel moeders gaan ervan uit (en dat zouden ze ook veilig moeten kunnen doen!) dat de zorgverleners om hen heen weten waar ze mee bezig zijn in de zorg voor moeder en kind.

In de praktijk blijkt dat bedroevend veel zorgverleners bedroevend weinig weten over hoe borstvoeding eigenlijk werkt. En eveneens bedroevend veel die dan proberen aan symptoombestrijding te doen of maar direct de moeder voorbereiden op een teleurstelling en kunstvoeding adviseren. De melkproductie veilig stellen begint voor elk moeder-kind-paar met het volgen van de biologische basisregels voor het species-specifiek voeden en verzorgen van de baby. Om dr. Nils Bergmann nog maar eens te citeren: ‘’ZERO SEPARATION!’’ Geen scheiding van moeder en kind. Scheiding van moeder en kind is zowat de meest gemaakte en een van de ernstigste medische missers die je je denken kunt. Een kind dat werd gescheiden van zijn moeder is in een acute en ernstige staat van stress, verbruikt onnodige energie, zijn hersenen ondergaan aanvallen van cortisol en adrenaline en processen van leren, voedsel opnemen, groeien en ontwikkelen worden stopgezet of op de laagste stand aan de gang gehouden. Ook het lichaam van de moeder reageert slecht op scheiding van het zojuist geboren kind en reageert met stress- en rouwsymptomen op die scheiding. Dit is niet erg gunstig voor het op gang komen van de melkproductie.

KMCdirectPPZolang moeder en kind bij elkaar zijn moeten ze zo veel mogelijk met rust gelaten worden. De taak van de zorgverlener is vooral om te zorgen voor een veilige en voeding stimulerende omgeving. De taak van de zorgverlener is eerder faciliterend (= mogelijk makend) dan interveniërend (= ingrijpend, handelend). Ondertussen kunnen moeder en kind worden geobserveerd, moeder kan worden verzorgd terwijl haar kind bij haar is en baby kan worden onderzocht terwijl hij bij zijn moeder is, nadat ze eerst een uurtje ongestoord samen waren. Heus, hij weegt over een uur of over een paar uur nog vrijwel hetzelfde als nu. En een beetje zorgverlener kan met geoefende klinische waarneming ook zien of een kind in essentie ‘’goed’’ is of acute medische hulp nodig heeft. Bedenk dat de vitale functies van een kind vrijwel altijd gunstiger zijn wanneer hij bij zijn moeder is, huid op huid, dan in de couveuse of een warm bedje of op een onderzoekstafel.

Na dat eerste ongestoorde uur blijven moeder en baby in principe dag en nacht bij elkaar op maximaal een armlengte afstand, maar liever tegen elkaar aan. Baby heeft onbeperkte toegang tot de borst en kan drinken zo vaak en zo veel en zo lang hij wil. En of hij nu wel of geen colostrum binnen krijgt, de nabijheid en de frequente stimulatie van de borst is de belangrijkste interventie voor het veilig stellen van de melkproductie. Mochten er aanwijzingen zijn dat er ondanks die nabijheid en frequentie geen of te weinig melktransfer is, dan kan de moeder in de eerste dagen met de hand colostrum uitdrukken en van een lepeltje geven, terwijl er wordt gekeken naar en gewerkt aan de aanleg- en drinktechnieken. Moeder en kind blijven bij elkaar en de baby blijft frequent de borst nemen.

En alsjeblieft, moeders en zorgverleners: wacht niet te lang met het inroepen van specialistische hulp als een bobbel niet direct kan worden gladgestreken. Die kleine bobbeltjes hebben de neiging zich exponentieel te vermenigvuldigen en binnen no-time uit te groeien tot een ‘’er is te weinig melkproductie mogelijk’’ diagnose.

PS: Deze serie (ten eerste, ten tweede, ten derde) en de miniserie-in-1-blog Een, twee, drie verschenen eerder in het oude blog in februari 2013 en in december 2012

Ten eerste

Foto: Tony Christian (L), de dubbel van Rupert Grint (R) in de Harry Potter films: ook rood haar en een big smile, maar toch net niet de echte, vooral neit als je naar de samenstelling (DNA) kijkt.

Wie een officiële DVD afspeelt moet eerst door zo’n verplicht clipje heen over downloaden en diefstal en vervolgens door een paar reclames voor andere officiële DVD’s. Wie een onofficiële film afspeelt, zo’n illegaal gedownloade, heeft niet dat irritante waarschuwingsfilmpje en ook niet die aankondigingen voor ander films, maar wel vaak slechtere beeldkwaliteit of voor het beeld langslopende bioscoop bezoekers. Die reclames zijn irritant, want ze gaan over films die je al in de bioscoop zag en toch al wilde hebben of over films die je helemaal niet wilt zien. Maar zo’n DVD met waarschuwingen en reclames geeft je dan wel weer een braaf gevoel, want je hebt er netjes voor betaald, zodat de filmmakers en de acteurs nog meer kunnen toevoegen aan de miljoenen die ze toch al verdienden. Maar ondanks de slechte kwaliteit voel je je met zo’n half-illegaal filmpje van het internet toch ook best wel goed, want je ziet die film toch maar mooi zonder andermans toch al goed gevulde portefeuille te spekken met jouw zuurverdiende en niet erg rekbare centen. Daar neem je nu en dan het slechte beeld en onregelmatige geluid voor op de koop toe.

Terwijl ik dit schrijf kijk ik met een half oog naar een film. Een officiële nog maar liefst. Sommige films zie ik zo graag, dat ik er het geld voor over heb. Ik draai ze dan ook grijs (als dat kon met een DVD). Deze heb ik ook al ‘tig keer gezien, dus ik kan het me permitteren om hem in een hoekje van mijn beeld te laten draaien, ondertussen te schrijven en bij de mooiste scenes even goed te kijken. Oeps, voorbij. Even terugspoelen dan en nog eens. Jááá, daar, hè, mooi stukje. En ander stukjes kunnen even doorgespoeld worden, die stukjes waar je, van plaatsvervangende gene, met kromme tenen naar kijkt. Geen kwestie van roekeloos sensatie-zoeken, zoals zou lijken uit het onderzoek dat ik eerder in een PS aanhaalde , maar eigenlijk geen tijd en toch graag die film nog eens willen zien. Kwestie van prioriteiten stellen. Ik zou toch niet mijn trouwe lezers het genot van een nieuw verhaaltje willen misgunnen omdat ik zo nodig voor de tigste keer dezelfde film wil kijken. En ik leer er eindelijk ook nog blind typen door, dat is me in de voorgaande decennia nooit gelukt.

Ten eerste is mijn werk belangrijk, ten tweede mijn pleziertjes. Bij borstvoeding ondersteuning zijn er ook zo van die regeltjes van ten eerste, ten tweede en ten derde. Daar zullen we het nu en de komende dagen over hebben. Vandaag de eerste regel: Ten eerste: geef de baby eten. Baby’s moeten eten, dat is letterlijk van levensbelang. Nooit in zijn  hele leven zal hij nog zo hard groeien, zo’n ontwikkeling doormaken als in zijn eerste levensweken en –maanden. Dat kost een ongelooflijke hoeveelheid energie en voedingsstoffen. De baby wordt geboren met een reserve om enkele dagen te overleven, maar overleven is niet genoeg. Het kind moet niet alleen overleven, maar groeien, zich ontwikkelen en gedijen. Daarvoor is eten nodig, vrij veel eten en in een min of meer constante stroom.

Het liefst komt al dat eten rechtstreeks van zijn moeder, als dat niet kan is het afgekolfde melk van zijn moeder. Als die opties niet beschikbaar of onvoldoende zijn, is het ”ten eerste”-alternatief de melk van een andere moeder. Met name voor een kind van wie de gezondheid toch al gevaar loopt, is mensenmelk van essentieel belang. Het geeft de minste risico’s voor overbelasting van zijn toch al op scherp staande systeem. Het geeft hem goed opneembare voeding in de juiste verhoudingen en met de minste risico’s op bijkomende ziekte, nu direct, op korte termijn of op langere termijn. De uitkomsten van kinderen die menselijke melk krijgen zijn statistisch gezien beter dan die van kinderen die geen menselijke melk krijgen, maar op dierlijke of plantaardige melk gebaseerde substituten. Zo’n substituut is net als een dubbel of een stuntman in een film. Van een afstandje lijkt hij best op het origineel en hij voldoet ook zeker voor het aspect van de rol waarvoor hij wordt ingezet, maar hij draagt de film niet. Niet-menselijke melk voldoet op een bepaald moment aan de nutritionele eisen van het kind, niet helemaal, maar voldoende om hem aan de gang te houden, te groeien en zich te ontwikkelen. Maar het zal hem minder waarschijnlijk tot zijn volle potentieel kunnen brengen.

Het is over het algemeen niet nodig een kind dat ander eten nodig heeft van zijn moeder te scheiden. Het is, voor de volledigheid, vrijwel nooit nodig een pasgeboren kind van zijn moeder te scheiden. De meeste redenen waarom een kind in de couveuse wordt gelegd (de belangrijkste reden voor scheiding van een moeder en haar pasgeboren kind) zijn niet wetenschappelijk onderbouwd. Een ziek kind, een zwak kind, een te klein of te zwaar kind is over het algemeen beter af in direct huidcontact met zijn moeder (of met zijn vader als moeder niet beschikbaar is) dan in een couveuse. Allerlei onderzoeken geven aan dat een kind tijdens structurele kangoeroemoeder(-vader-)zorg betere vitale functies heeft dan hetzelfde kind in de couveuse. Technisch is het heel goed mogelijk alle bewakings- en behandelingsapparatuur in te zetten terwijl de baby bij zijn moeder is. Het mooie van dat directe en doorgaande huidcontact is dat het ‘’geef de baby eten’’ veel effectiever is. Een baby die in nauw lichaamscontact is met een ander mens is, heeft namelijk nauwelijks energieverlies (geen temperatuur om goed te houden, geen stress, een interactieve metronoom om zijn hartslag op gang te houden en een voortdurende prikkel om te blijven ademen) en heeft dus minder eten nodig of hij komt met dezelfde hoeveelheid verder.

Foto: multitasking aan de computer

 

 

PS: Deze drie regels bespreek ik in de miniserie-in-1-blog Een, twee, drie

PS2: Deze serie (ten eerste, ten tweede, ten derde) en de miniserie-in-1-blog Een, twee, drie verschenen eerder in het oude blog in februari 2013 en in december 2012

Een enkel flesje kan toch geen kwaad? … Of wel? 

Oorspronkelijke tekst: Marsha Walker, RN, IBCLC
Vertaling: Gonneke van Veldhuizen, IBCLC
Herzien 2016

Zie ook Voeding en de darmen voor een kortere versie van dit artikel

  • Het maag-darmkanaal van de normale foetus is steriel
  • De manier van geboren worden heeft effect op de ontwikkeling van de darmflora.
    • Vaginaal geboren kinderen worden door de bacteriën die de moeder draagt gekoloniseerd.
    • Kinderen die met een keizersnede geboren worden, staan naar alle waarschijnlijkheid meer bloot aan omgevingsmicroben uit de lucht, en via andere mensen, bijvoorbeeld de zorgverleners die als drager fungeren
  • Baby’s met het hoogste risico van kolonisatie met ongewenste microben, of wanneer transfer via moederlijke bronnen niet kan optreden, zijn met keizersnede geboren kinderen, prematuren, aterme pasgeborenen die intensieve zorg nodig hebben en kinderen die worden gescheiden van hun moeder
  • Kinderen die borstvoeding krijgen en kinderen die kunstvoeding krijgen hebben een verschillende darmflora
    • Kinderen die borstvoeding krijgen hebben een lagere pH in de darm (een zure omgeving) van ongeveer 5,1 – 5,4 gedurende de eerste zes weken, met de bifidobacteriën als dominante soort en mindere hoeveelheid pathogene (ziekte veroorzakende) microben, zoals E coli, bacteroïden, clostridia en streptokokken
      • baby’s die kunstvoeding krijgen hebben een hoge darm pH van ongeveer 5,9 – 7,3 met een grote verscheidenheid aan putrefactieve bacteriestammen (bacteriën die eiwitten afbreken en daardoor rotting veroorzaken)
    • Kinderen die borstvoeding krijgen met kunstvoeding als supplement hebben een darm pH van 5,7 – 7,3 in de eerste vier weken, teruggaand tot 5,45 in de zesde week
    • Wanneer een baby die borstvoeding krijgt in de eerste zeven levensdagen kunstvoeding erbij krijgt, wordt het ontstaan van een sterk zure omgeving in de darm vertraagd en bestaat de kans dat het volledige potentieel nooit wordt bereikt
    • Bij kinderen die naast borstvoeding kunstvoeding krijgen, ontstaat een darmflora en darmgedrag dat lijkt op dat van kinderen die enkel kunstvoeding krijgen
  • Het maag-darmkanaal van de pasgeborene ondergaat zeer snelle groei en vervolmakende ontwikkeling direct na de geboorte
    • Baby’s hebben een functioneel immatuur (onrijp) en immuno-naief darmstelsel (het immuun systeem is nog niet geactiveerd) bij de geboorte
    • Het duurt vele weken voor er strakke verbindingen in het darmslijmvlies ontstaan zijn en de darm afsluiten voor doorgang van grote eiwitten en pathogenen (ziekteverwekkers).
    • De open verbindingen spelen een rol bij het ontstaan van NEC (Necrotiserende Entero Colitis, een ernstige darminfectie), diarree en allergie
    • secretoir IgA (immuniglobuline A) uit colostrum en moedermelk leggen een beschermende laag langs de darmwand, waardoor in een passieve immuniteit wordt voorzien gedurende de tijd dat de immuunfunctie van de darm van de pasgeborene nog laag is
    • Het secretoir IgA van de moeder is pathogeen specifiek: de antistoffen zijn gericht tegen de pathogenen (ziekteverwekkers) in de onmiddellijke omgeving van de baby
    • De moeder maakt antistoffen wanneer zij via de maag, inademing of anderszins in contact komt met ziekteverwekkende microben.
    • Deze antistoffen negeren de nuttige normale darmbacterien en leiden ziekte af zonder inflammatie (ontsteking)
  • Kunstmatige zuigelingenvoeding zou niet gegeven moeten worden aan kind dat borstvoeding krijgt voor de neonatale doorlaatbaarheid van de darm is verdwenen
    • Vanaf het moment dat de baby bijvoeding krijgt, lijkt het bacteriële profiel van de darm op die van kinderen die kunstvoeding krijgen, waarbij de bifidus bacteriën niet langer dominant zijn en de ontwikkeling van obligate anaerobe bacteriestammen (bacteriën die zich alleen in een omgeving zonder zuurstof kunnen ontwikkelen) voorkomt. (Mackie, Sghir, Gaskins, 1999)
    • Relatief kleine hoeveelheden kunstvoeding (1 flesje per 24 uur), gegeven aan een kind dat borstvoeding krijgt, zullen zorgen voor een verandering van een borstvoeding naar een kunstvoeding darmflora patroon. (Bullen, Tearle, Stewart, 1977)
    • De introductie van vaste voeding bij een kind dat borstvoeding krijgt, veroorzaakt ernstige aantasting van het ecosysteem van de darm met een snelle stijging van het aantal enterobacteriën en enterokokken, gevolgd door een progressieve kolonisatie met bacteroïden, clostrida en anaerobe streptokokken. (Stark, Lee, 1982)
    • Wanneer kunstvoeding als bijvoeding wordt gegeven verandert de darmflora van een kind dat borstvoeding krijgt binnen 24 uur zo dat die niet meer van die van een volwassenen is te onderscheiden. (Gerstley, Howell, Nagel, 1932)
    • Wanneer wordt teruggekeerd naar uitsluitend moedermelk, dan duurt het 2 – 4 weken voor de darmomgeving terugkeert naar een status die gunstig is voor grampositieve darmflora. (Brown; Bosworth, 1922; Gerstley, Howell, Nagel, 1932)
  • In families waar allergieën voorkomen kunnen baby’s, die borstvoeding krijgen, worden gesensibiliseerd door een enkele fles kunstvoeding (ongewilde, onnodige of geplande bijvoeding) in de eerste 3 levensdagen. (Host, Husby, Osterballe, 1988; Host, 1991)
    • Kinderen met een verhoogd allergie risico zijn kinderen waarvan 1 van de ouders allergisch is (+ 37%), beide ouders allergisch zijn (+62-85%, afhankelijk van de vraag of beide ouders dezelfde of een verschillende allergie hebben) en kinderen die, onafhankelijk van allergie in de familie verhoogde IgE warden hebben in het navelstrengbloed. (Chandra, 2000)
    • Bij kinderen met een verhoogd allergie risico kan hypoallergene kunstvoeding worden gebruikt als bijvoeding naast borstvoeding; vaste voeding moet worden uitgesteld tot 6 maanden, melk en zuivel tot een jaar en de moeder zou moeten overwegen af te zien van pinda’s, melk, eieren en vis. (AAP, 2000)
  • Kinderen die borstvoeding krijgen en die geboren worden in families waar insuline afhankelijke diabetes mellitus voorkomt, hebben een verhoogd risico om dit ook te ontwikkelen, wanneer zij vroegtijdig worden blootgesteld aan koemelkeiwitten.(Mayer et al, 1988; Karjalainen, et al, 1992)
        • Het vermijden van koemelkeiwitten in de eerste levensmaanden kan het ontwikkelen van insuline afhankelijke diabetes mellitus verminderen of het begin ervan vertragen bij kinderen die daarvoor gevoelig zijn. (AAP, 1994)
        • Sensibilisatie en de ontwikkeling van een immuniteitsgeheugen voor koemelkeiwitten is de eerste stap in de etiologie van insuline afhankelijke diabetes mellitus. (Kostraba, et al, 1993).
          • Sensibilisatie kan optreden wanneer het kind vroegtijdig wordt blootgesteld aan koemelkeiwitten, voor de neonatale doorlaatbaarheid van de darm is verdwenen.
          • Sensibilisatie kan optreden wanneer het kind wordt blootgesteld aan koemelkeiwitten tijdens een door een infectie veroorzaakte verandering van het maag-darmkanaal, wanneer de slijmvliesbarrière is aangetast, waardoor antigenen (antistoffen) erdoorheen kunnen en vervolgens immuunreacties uitlokken.
          • Sensibilisatie kan optreden wanneer de aanwezigheid van koemelkeiwitten in de darm de darmslijmvliesbarriere beschadigt, de aaneensluiting van de verbindende cellen vernietigt (dus de dichting van de neonatale doorlaatbaarheid aantast) of enige andere blootstelling aan koemelkeiwitten. (Savilathi, et al, 1993)

Referenties

  • American Academy of Pediatrics, Work Group on Cow’ s Milk Protein and Diabetes Mellitus. Infant feeding practices and their possible relationship to the etiology of diabetes mellitus. Pediatrics 1994; 94:752-754
  • American Academy of Pediatrics, Committee on Nutrition. Hypoallergenic infant formulas. Pediatrics 2000; 106:346-349
  • Brown EW, Bosworth AW. Studies of infant feeding VI. A bacteriological study of the feces and the food of normal babies receiving breast milk. Am J Dis Child 1922; 23:243
  • Bullen CL, Tearle PV, Stewart MG. The effect of humanized milks and supplemented breast feeding on the faecal flora of infants. J Med Microbiol 1977; 10:403-413
  • Chandra RK. Food allergy and nutrition in early life: implications for later health. Proc Nutr Soc 2000; 59:273-277
  • Gerstley JR, Howell KM, Nagel BR. Some factors influencing the fecal flora of infants. Am J Dis Child 1932; 43:555
  • Host A, Husby S, Osterballe O. A prospective study of cow?s milk allergy in exclusively breastfed infants. Acta Paediatr Scand 1988; 77:663-670
  • Host A. Importance of the first meal on the development of cow’ s milk allergy and intolerance. Allergy Proc 1991; 10:227-232
  • Karjalainen J, Martin JM, Knip M, et al. A bovine albumin peptide as a possible trigger of insulin-dependent diabetes mellitus. N Engl J Med 1992; 327:302-307
  • Kostraba JN, Cruickshanks KJ, Lawler-Heavner J, et al. Early exposure to cow’ s milk and solid foods in infancy, genetic predisposition, and risk of IDDM. Diabetes 1993; 42:288-295
  • Mackie RI, Sghir A, Gaskins HR. Developmental microbial ecology of the neonatal gastrointestinal tract. Am J Clin Nutr 1999; 69(Suppl): 1035S-1045S.
  • Mayer EJ, Hamman RF, Gay EC, et al. Reduced risk of IDDM among breastfed children. The Colorado IDDM Registry. Diabetes 1988; 37:1625-1632
  • Savilahti E, Tuomilehto J, Saukkonen TT, et al. Increased levels of cow’ s milk and blactoglobulin antibodies in young children with newly diagnosed IDDM. Diabetes Care 1993; 16:984-989
  • Stark PL, Lee A. The microbial ecology of the large bowel of breastfed and formula-fed infants during the first year of life. J Med Microbiol 1982; 15:189-203

 

borstvoeding, opvoeding, voeding

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 49 andere volgers

%d bloggers op de volgende wijze: